Veroordeelde ‘homobutler’ wil herziening

De Hoge Raad behandelde gisteren het zesde herzieningsverzoek van Dick van Leeuwerden die acht jaar in de cel zat. Een taaie strijd om eerherstel.

Dick van Leeuwerden is voor een paar weken overgekomen uit India, het land waar hij sinds vijf jaar woont. Hij is 62, maar ziet eruit als een oude man. Sinds een hartinfarct drie jaar geleden loopt hij met een kruk. Voor de zitting bij de Hoge Raad staat zijn gezicht gespannen, erna alleen nog moe.

Toen hij 39 was trouwde Dick van Leeuwerden, homoseksueel, met de 72-jarige rijke mevrouw Van Wylick, voor wie hij werkte als verpleger en verzorger. Vijf weken later overleed zij. Patholoog-anatoom J. Zeldenrust van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium, later opgegaan in het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), sloot na sectie een spontane hartstilstand niet uit, maar achtte acute vergiftiging door alcohol en medicijnen waarschijnlijker. De zaak staat bekend als die van ‘de homseksuele butler’.

Het gerechtshof van Amsterdam veroordeelde Van Leeuwerden in 1985 tot twaalf jaar cel voor moord met voorbedachten rade. Hij zou de vrouw op de avond van haar dood soep met Surinaamse rum (90 procent alcohol) hebben gegeven terwijl hij wist dat ze een hartkwaal had en medicijnen slikte.

Van Leeuwerden kwam in 1993 vrij en streeft sindsdien naar eerherstel. Hij heeft altijd toegegeven dat hij met de vrouw getrouwd is om haar geld, maar altijd ontkend dat hij haar om het leven heeft gebracht. Al zes keer diende hij een verzoek in om zijn rechtszaak over te doen, zodat zijn onschuld kan blijken. De eerste vijf verzoeken wees de Hoge Raad schriftelijk af. Gisteren kreeg hij voor het eerst de kans het verzoek toe te lichten in een openbare zitting. Zijn advocaat G.J. Knoops, bekend van onder meer de Puttense en de Deventer moordzaak, kreeg hiervoor drie kwartier de tijd. De rechters van de Hoge Raad onderbraken hem alleen om te vragen hoe lang hij nog nodig dacht te hebben. Na afloop liet de advocaat-generaal weten op 10 oktober zijn conclusie te publiceren. Enige tijd daarna maakt de Hoge Raad bekend of de zaak wordt heropend. Knoops vroeg de Raad om een snel oordeel gezien Van Leeuwerdens zwakke gezondheid.

Kern van het zesde herzieningsverzoek is harde, nieuwe informatie over de toestand van het hart van de overleden vrouw. Het NFI, dat doorgaans alleen onderzoek doet in opdracht van de politie en het openbaar ministerie, onderzocht op verzoek van Knoops met de nieuwste technieken twee hartpreparaten van de vrouw, die het nog in bezit had. Om dit onderzoek was al gevraagd in 1990, maar de verdediging kreeg toen te horen dat de preparaten waren kwijtgeraakt. Nu werden er voor het eerst ‘bindweefselplekken’ op aangetroffen en een klein stukje ‘weefselversterf’. NFI-patholoog R. Visser concludeert hieruit dat het „eerder waarschijnlijk dan mogelijk is dat mevrouw Van Wylick is overleden door fataal verlopende hartritmestoornissen”. Dit is het tegenovergestelde van wat patholoog Zeldenrust begin jaren tachtig concludeerde.

De stelling dat mevrouw Van Wylick een natuurlijke dood stierf, is niet nieuw. Volgens tal van medische deskundigen is dit al jaren wetenschappelijk bewezen. Maar een wetenschappelijk feit is nog geen juridisch feit, zo blijkt uit deze zaak. Voor heropening is een ‘novum’ nodig, een feit dat ten tijde van de veroordeling nog niet bekend was. „Een mening, overtuiging of gevolgtrekking”, aldus de Hoge Raad in 2003, „kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt”.

Volgens hoogleraar cardiovasculaire pathologie A.E. Becker gaan rechters ten onrechte aan de wetenschappelijke feiten voorbij. „Er is sprake van een natuurlijke dood”, schreef hij in 2004 over de zaak. „Uit de rapportage van de bij uitstek deskundige toxicoloog prof. Nelemans en de klinisch farmacoloog prof. Van Boxtel blijkt dat er geen sprake is van een vergiftiging door alcohol en medicijnen, zodat hiermee de mogelijkheid van een onnatuurlijke dood op medisch grond is verworpen. [...] Deze deskundigenverslagen zijn beoordeeld als ‘een mening’, terwijl er sprake was en is van wetenschappelijke conclusies.”

Zal de Hoge Raad de nieuwe gegevens over het hart wel opvatten als een novum? Knoops wijst erop dat die informatie ten tijde van Van Leeuwerdens veroordeling nog niet bekend kón zijn, omdat de benodigde forensische technieken nog niet bestonden. Volgens hem moet het mogelijk worden rechtszaken te herzien wegens gegevens die beschikbaar komen door ‘voortschrijdende forensische inzichten’.

Van Leeuwerden zelf zegt na afloop dat hij jaren naar de zitting heeft uitgekeken. Zijn verhuizing naar India was, zegt hij, een laat gevolg van zijn veroordeling voor moord. „In Nederland werd ik altijd geconfronteerd met mensen die zeiden: ‘Aan de ene kant geloof ik je, aan de andere kant niet. Rechters spreken geen onzin, rechters liegen niet’. Dat werd me te zwaar.”