Veroordeel Günter Grass niet te snel

Het geval Günter Grass is meer dan een bekentenis over zijn lidmaatschap van de Waffen-SS. Het legt ook een conflict tussen generaties bloot, betoogt Frits Boterman.

In de column van Ben Knapen over Günter Grass komen drie aspecten voor die aanvulling behoeven (Opiniepagina, 23 augustus).

In de eerste plaats moet het geval Günter Grass in een breder perspectief geplaatst worden, zoiets mag men verwachten van een historicus als Knapen die zich intensief met Duitse kwesties heeft beziggehouden. Ongetwijfeld doet de kritiek van Grass en anderen op de ‘restauratieve’ politiek van Konrad Adenauer in de jaren vijftig achteraf geforceerd aan: zo hebben veel linkse intellectuelen toen de betekenis van Adenauers politiek van Westbindung niet op waarde weten te schatten. Maar men mag niet vergeten dat Grass en anderen in de jaren zestig en zeventig door hun politieke betrokkenheid bij de democratisering van de Bondsrepubliek een niet onbelangrijke rol hebben gespeeld. Door zich in te zetten voor verschillende verkiezingscampagnes van Willy Brandt (SPD) heeft hij het klimaat in de Bondsrepubliek in positieve zin veranderd en tevens een bijdrage geleverd aan de Ostpolitik. De aanwezigheid bij de knieval van de toenmalige bondskanselier in Warschau in december 1970 is hiervan een symbolisch voorbeeld. Door depreciërend van een bijbaan te spreken, zoals Knapen doet, miskent men het politieke engagement van Duitse intellectuelen en de ingewikkelde relatie in Duitsland tussen geest en macht, cultuur en politiek.

Ten tweede was Grass niet de intellectuele en literaire held van de babyboomgeneratie, zoals Knapen stelt. De echte vertegenwoordigers van de generatie ’68, na de oorlog geboren, hadden wel iets anders aan hun hoofd: er werd veel over fascisme, socialisme, revolutie, Vietnam en de Derde Wereld gesproken, van een groot historisch besef was geen sprake, want in wezen voerden zij een strijd die ver buiten de werkelijkheid stond en uiteindelijk leidde tot vormen van terrorisme. Voor zover mij bekend heeft Grass zich nooit solidair verklaard met deze revolutionaire heethoofden, zoals Heinrich Böll met zijn openlijke steun aan de RAF en Ulrike Meinhof wel hebben gedaan. Grass heeft altijd een gematigd sociaal-democratisch standpunt ingenomen en gepleit voor een vorm van reformisme in plaats van een revolutionair Tatidealismus dat de democratische rechtsstaat ernstig ondermijnde.

Ten derde is de betekenis van het geval Grass veel breder dan Knapen en anderen aannemen. Deze affaire laat wederom zien dat de linkse ideeën steeds meer aan invloed verloren hebben, zoals blijkt uit verschillende debatten die sinds 1990 in Duitsland zijn gevoerd. Het Christa Wolf-debat, waarin begin jaren negentig de Oost-Duitse schrijfster vanwege haar Stasi-verleden en blinde socialistische gezindheid door conservatieve literatuurcritici scherp werd aangevallen, is hiervan een voorbeeld. Maar ook Grass’ generatiegenoot Martin Walser zette in zijn opzienbarende rede van 11 oktober 1998 de afrekening met links voort door het moralisme en de overdreven identificatie met de holocaustslachtoffers van Grass c.s. al aan de kaak te stellen. In feite gaat het hier om twee generaties, de zogeheten Flakhelfer-generatie, die voor 1930 geboren was en in het leger, de luchtafweer of in Hitlerjugend in de eindfase van de oorlog betrokken was, en om de generatie ’68, mensen die na 1945 geboren zijn en geen directe betrokkenheid bij het nazisme hebben gehad, samen ook wel de ‘lange generatie’ genoemd.

Het is opvallend hoe lang en sterk juist deze Flakhelfer-generatie het debat in West-Duitsland sinds 1970 heeft bepaald. Niet alleen in de literatuur, maar ook in de filosofie (Jürgen Habermas) en in de geschiedwetenschap (Hans-Ulrich Wehler) heeft deze generatie het naziverleden in kritische zin als uitgangspunt voor haar werk en politieke standpunten gebruikt en zij heeft hiermee de identiteit van de Bondsrepubliek diepgaand gevormd.

Nieuw is dat de schaamte over zijn lidmaatschap van de Waffen-SS blijkbaar bij Grass heeft gewerkt als een motor van zijn mea culpa-houding, zoals onder meer bleek uit zijn kritiek op de hereniging in 1990. Duitsland moest als straf voor Auschwitz gedeeld blijven.

Wat we in Duitsland zien gebeuren, is een conflict tussen generaties dat gecompliceerd in elkaar zit, niet alleen in het openbare debat, maar ook in de politiek. Generatiegenoten oordelen deels mild over Grass, anderen wassen hem de oren over zijn te late bekentenis, terwijl jongere generaties of Grass weghonen of onverschillig zijn. Het gaat hier om een langzaam afscheid van een ‘lange generatie’ die een invloedrijke rol heeft gespeeld in de democratisering van de Bondsrepubliek, de acceptatie van West-Duitsland in de wereld en de verwerking van het nazi-verleden. Dat zij ook blinde vlekken had en heeft, is zeker waar, maar dat men de drie genoemde aspecten in het oordeel over Grass moet betrekken, hoe zeer zijn (te) late biecht wrevel en verbazing wekt, lijkt mij een kwestie van redelijkheid.

Frits Boterman is hoogleraar Moderne Duitse Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

De column van Ben Knapen is te lezen op www.nrc.nl/opinie

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Veroordeel Günter Grass niet te snel (30 augustus, pagina 7) stond dat Grass zich nooit solidair heeft verklaard met revolutionaire heethoofden , „zoals Heinrich Böll met zijn openlijke steun aan de RAF en Ulrike Meinhof wel hebben gedaan.” Bedoeld was: „zoals Heinrich Böll met zijn openlijke steun aan de RAF en Ulrike Meinhof wel heeft gedaan.”