Een oceaan vol spinvissen

Als Simon Vinkenoog je poëzie voordraagt, zoals vorige week op het Lowlands-festival, dan ben je er wel zo’n beetje. Spinvis, alias Erik de Jong, is inmiddels een gevestigde naam . Afgezien van zijn muziek en teksten is Spinvis ook op een ander vlak van belang: hij is een symbool voor de moderne muziekindustrie.

Traditioneel begon een industrie met een groot aantal kleine krabbelaars die thuis hun arbeid verrichtten, vervolgens samenklonterden tot collectieven of bedrijfjes en uiteindelijk tot ondernemingen die, genietend van hun schaalvoordeel, een steeds hogere graad van professionaliteit bereikten tegen steeds lagere kosten. Dat had zijn redenen: machines waren duur, er was een vergaande arbeidsdeling nodig om het productieproces zo rationeel mogelijk te laten verlopen en techniek moest in eigen huis worden vervolmaakt. Neem een industriële activiteit en het voorgaande schetst zo’n beetje de geschiedenis: van weverijen tot hoogovens, van melkveehouderij tot speelgoedfabrikant. In de eerste decennia van de vorige eeuw waren er in de VS duizenden automobielmakers, aan het eind nog drie hele grote.

Ook in de populaire muziek ging het aanvankelijk zo, met uiteindelijk een almacht van een relatief klein aantal professionele geluidsstudio’s. Maar dat is met de opkomst van de computerstudio’s in de jaren negentig sterk veranderd. Spinvis begon gewoon thuis op zolder in Nieuwegein – hoor de culturele elite gruwen – en drong op eigen kracht door. Het goede nieuws: er zijn op dit moment duizenden potentiële Spinvissen, als het er geen tienduizenden zijn. Ze beschikken over programmatuur waarmee het geluid van een professionele studio steeds dichter wordt benaderd, en die steeds beter betaalbaar wordt. Apple levert al een eenvoudig programma, Garage Band, standaard met zijn computers mee.

Zo valt een industrie die bestaat uit een relatief gering aantal giganten voor je het weet uiteen in een gefragmenteerde horde van kleine krabbelaars. En dat is de omgekeerde weg. Dat is ook deels gebeurd met de grafische bedrijven en drukkerijen, die leden onder de opkomst van desk top publishing in de jaren tachtig. En met traditionele mediabedrijven die zich bedreigd zien door het wereldwijde web.

Nu is informatie op het internet notoir onbetrouwbaar, en houden de mediabedrijven juist mede om hun kwaliteitsbewaking stand. En wie kwaliteit in druk wil die het clubblad te boven gaat, wendt zich nog steeds tot een professionele studio of uitgeverij. De vraag is of dat ook zo gaat in de muziek. Distributie blijft de flessenhals voor elke doe-het-zelfmuzikant, die met de verspreiding van zijn cd’s op eigen houtje vaak niet veel verder komt dan vrienden en bekenden. Verspreiding via internet kan ook, maar daar wacht de concurrentie van die duizenden andere wannabe’s. En de techniek helpt nauwelijks bij het componeren en uitvoeren.

Maar wat de opnamekwaliteit betreft gaat het de laatste tijd erg hard op de zolders in Nieuwegein. Zelfs het meest professionele computer-opnamesysteem op de markt, Pro Tools, heeft al een tijdje een instaplijn die betaalbaar is. Geen wonder dat de professionele studio’s het moeilijk hebben: er is minder te doen, en er komen steeds meer studio’s omdat veel hobbyisten de overstap wagen naar wat zij denken dat het grotere werk wordt.

Wat er op dit moment gebeurt is dat de echte studio’s vaak pas op het allerlaatst worden ingeschakeld: het kan geen kwaad alle opgenomen sporen uiteindelijk even door een professional door bijvoorbeeld een echte Solid State Logic (SSL)-mengtafel te laten halen. Al heeft SSL sinds kort een apparaat op de markt dat zelfs deze techniek naar de zolder haalt.

Gaat de kwaliteit van al deze muziek dan toch niet erg achteruit? Zeker. Het verschil tussen een thuisopname en een professionele opname is goed te horen, soms schrijnend goed. Maar het gat wordt wel gedicht en, het is al geconstateerd, de moderne consument schijnt gek genoeg tevreden te blijven met muziek van mindere kwaliteit.

Dat is mooi voor al die aspirant-Spinvissen in Osdorp, Vianen of Zoetermeer. Nu de vonk van Vinkenoog nog.

maarten schinkel

woensdag@nrc.nl