Criticus van islamitisch fanatisme

In zijn geboortestad Kaïro is de Egyptische schrijver Nagieb Mahfoez overleden. In 1988 werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend.

Nagieb Mahfoez, de grand old man van de Egyptische letterkunde, is op 94-jarige leeftijd gestorven. Hij was de enige Arabischtalige schrijver die de Nobelprijs kreeg.

Mahfoez werd geboren binnen de muren van het oude Kaïro en bleef altijd betrokken bij zijn wijk die hij in ettelijke romans heeft vereeuwigd. Hij studeerde filosofie, maar liet een universitaire carrière lopen om schrijver te worden. Sinds 1939 publiceerde hij meer dan dertig romans en verhalenbundels. Ook schreef hij filmscenario’s en artikelen voor het dagblad AI-Ahram .

Veel van Mahfoez’ romans zijn verfilmd. Rijk is hij er niet van geworden, want literatuur bedrijven betekent in Egypte een marginaal bestaan: zijn brood verdiende hij altijd als ambtenaar. Pas de toekenning van de Nobelprijs in 1988 bracht hem financiële erkenning.

Wars van openlijk verzet heeft Mahfoez in zijn werk altijd op indirecte, maar niet mis te verstane wijze zijn stem laten horen tegen de ‘mishandelaars’ van Egypte: de Britten, de grootgrondbezitters van de monarchie, Nassers revolutionairen en tegenwoordig de godsdienstfanaten.

Een biografie van Mahfoez schrijven zal moeilijk worden. Zijn privéleven heeft hij altijd zorgvuldig afgeschermd. De verbreiding van informatie over zichzelf hield hij in eigen hand. Mondjesmaat vonden er wel reeksen interviews plaats, die vervolgens in boekvorm verschenen (zoals Gamaal al-Ghitani, Gesprekken met Nagieb Mahfoez en het door Mohammed Salmawi opgetekende Mijn Egypte). In 1998 verscheen in AI-Ahram een ‘geautoriseerde biografie’ op basis van 50 uur interviews. Maar ook dit is geen biografie zoals je die zou wensen. Hoofdzakelijk worden er politieke standpunten over vroegere oorlogen en regimes in uitgediept, maar erg persoonlijk is het allemaal niet. Gelukkig toont wel het werk van Mahfoez iets van zijn privéleven.

Mahfoez was betrokken bij de sociale misère in Egypte

De ‘Cairo-romans’ uit de jaren veertig zijn nog vooral tableaux van een familie, een wijk of een generatie, waarin Mahfoez zich betrokken toonde bij de sociale misère. De minder geslaagde roman Begoocheling (1948) is een document van seksuele frustratie en moederbinding. Het is een poging om Freud te verwerken, maar zeker ook om in het reine te komen met zichzelf. In zijn grote hoofdwerk uit het begin van de jaren vijftig, de Trilogie, wordt afgerekend met een vaderfiguur door een hoofdpersoon die optreedt als een overtuigde, maar weinig overtuigende vrijgezel. Ook Mahfoez zelf was toen nog steeds niet getrouwd. Uit later werk is af te leiden dat omstreeks 1952 de centrale gebeurtenis in zijn leven heeft plaatsgehad: een blikseminslag van mystieke aard die hem voor jaren ontregelde. Op zijn 43ste trouwde hij alsnog: zijn zelf opgeworpen huwelijksbeletselen waren nu weggesmolten. Na zijn levenscrisis krabbelde hij op met de allegorische roman Kinderen van Gebelawi. Hierin treden figuren op die sterk lijken op de stichters van de drie ‘westerse’ godsdiensten: jodendom, christendom en islam, maar ook komt er een ‘tovenaar’ in voor die de moderne wetenschap belichaamt. Naar aanleiding van de misdragingen van hun aanhangers en navolgers rekent hij in het boek af met de traditionele godsdienst, maar ook met het geloof in de wetenschap.

De romans die daarna volgden waren naar binnen gerichte boeken over telkens één ontredderde mannelijke hoofdpersoon. Deze mannen doorzien hun situatie: zij zijn alleen en er is niets – of slechts een herinnering aan een innerlijke ervaring die zij opnieuw willen beleven (zoals in de roman Dwaaltocht). Maar wie zoekt zal zeker niet vinden. Dat inzicht is het hoogste waartoe de zoekers van Mahfoez geraken. Pas in Een roes op de Nijl en Miramar keerde de verlichte auteur terug naar de wereld.

In het maatschappijkritische werk dat volgde verloor de auteur de mystiek echter niet uit het oog. Al zijn technieken en thema’s – het lot, de kleine luiden, het vergeefse streven van de streber, de onbereikbare god – vloeien in de latere werken over in elkaar en in de oeverloosheid van de ouderdom.

Met Kinderen van Gebelawi, maar ook met zijn ondersteuning van het vredesproces met Israël, had Mahfoez zich verzekerd van een warm plekje in de hel van de islamitisten. De door hen gezaaide haat resulteerde in 1994, toen hij al tweeëntachtig was, in een aanslag op zijn leven door een godvruchtige terrorist.

Op zijn beurt heeft de schrijver ook altijd de fanaten in het vizier gehouden. Na de aanslagen op groepen toeristen in Egypte, waarbij vele doden vielen, heeft hij zijn afschuw altijd luidkeels laten blijken. Maar de Amerikaanse acties tegen terroristen in Soedan en Afghanistan veroordeelde hij evenzeer als de aanvallen op ambassades die daartoe de aanleiding waren geweest. De Verenigde Staten gedroegen zich daarmee volgens hem niet anders dan de terroristen die zij in naam van de democratie zeiden te bestrijden. Ook de Amerikaanse bezetting van Irak kritiseerde hij scherp; de daaruit voortvloeiende toename van terroristisch geweld heeft hij dadelijk voorspeld.

Er is veel werk van Mahfoez in het Nederlands vertaald. Dit stelt ons in staat iedere roman te bezien in het licht van andere werken, wat bij Mahfoez meer dan bij andere schrijvers een noodzaak is. De schrijver heeft ons zijn rijk geïllustreerde trap des levens nagelaten.