(Crisis)trein

Eerlijk gezegd begrijp ik de commotie over het nieuwe spoorboekje niet zo goed. Uit alle zogenaamd verontrustende berichten kan ik maar één verheugende conclusie trekken: we gaan er als reiziger dik op vooruit, eindelijk.

Neem het feit dat vijftig dagelijkse, veel te kleine treinen nu officieel ‘geoormerkt’ zullen worden als ‘crisistrein’. Zó zou het staan in een vertrouwelijke brief van het hoofd planning van NS. Twee kanttekeningen hierbij.

Een oormerk is een voorwerp dat met een tang in het oor van een dier wordt aangebracht om het te kunnen onderscheiden van andere dieren. Ik leid hieruit af dat voortaan op elke crisistrein met grote letters het woord ‘crisis’ zal staan. Mogelijk mét uitroepteken. Duidelijke taal, lijkt me. Wie tóch in zo’n overvolle trein stapt en er een uur later als een kromgetrokken, verschroeide tosti uitgegooid wordt, moet niet klagen. Hij wist waar hij aan begon.

Bovendien, dat mag ook wel eens gezegd worden, is het op zichzelf al een reusachtige vooruitgang dat er voortaan slechts vijftig crisistreinen zullen rijden. Vijftig! Peanuts. De doorgewinterde Nederlandse treinreiziger beschouwde inmiddels élke trein als een potentiële crisistrein. Dat was beslist niet overdreven. Je kon merken dat ook het rijdend personeel het pessimisme van de reiziger begon te delen. Dan zei zo’n conducteur namens de machinist met een meevoelende stem: „We hebben weer eens oponthoud vanwege een stroomstoring.” In de nieuwe Van Dale kan het woord stroomstoring als een equivalent van ‘crisis’ worden opgenomen.

Omdat ik het voorbarige geklaag in de kranten beu was, heb ik het lijstje met zogeheten langere reistijden in het nieuwe spoorboekje eens goed doorgenomen. Ik slaakte een zucht van verlichting. Was dat alles? Als ik voortaan van Amsterdam naar Rotterdam spoor, doe ik er vijf minuten langer over dan vroeger. Met ‘vroeger’ wordt dan bedoeld: zoals het vroeger in het spoorboekje stond, dus niet de werkelijke reistijd met al die (stroom)storingen. Ik kon mijn ogen niet geloven. Dat zou betekenen dat ik straks ongeveer een kwartier eerder in Rotterdam ben dan vroeger, want ik mag aannemen dat stroomstoringen, draadbreuken, onvindbare machinisten en natte bladeren op de rails nu eindelijk tot het verleden behoren.

Te midden van al dit goede nieuws trof ik maar één bevreemdende mededeling aan. Dat was de aankondiging dat er voortaan nog maar één conducteur op zes treinstellen zal zijn. „Nu is dat één conducteur op vier treinen’’, las ik. Hier lijkt me een correctie op zijn plaats. Vaak zag ik de laatste jaren vier conducteurs op één trein. Ze praatten, genietend van het comfort van de eerste klas, altijd reuze gezellig met elkaar, zó gezellig dat de kaartcontrole er wel eens bij inschoot. Alleen in de crisistreinen zag je nooit een conducteur – die had wel wat beters te doen dan het aanhoren van al dat reizigersgekanker.

Gaan we dus een onbezorgde toekomst met de NS tegemoet? Vast en zeker. Mocht het onverhoopt niet lukken, dan weet ik een radicale oplossing: één lange crisistrein voor heel Nederland, die ’s morgens in alle vroegte in Maastricht begint en via Rotterdam, Amsterdam en Utrecht omstreeks middernacht Groningen binnensukkelt. Wie er tussentijds uit wil, moet maar springen.