Achtendertig

Zwarte zaterdag, zomer 2006. Sinds ik lang geleden werd geconfronteerd met de gevolgen van een groot ongeluk; twee in elkaar gevouwen caravans, een verdwaasd rondrennende hond, een opengescheurd pak koffie en een teenslipper op het asfalt, vind ik de reis zuidwaarts altijd een beproeving. Gelukkig valt het met de files mee, alleen op de punten waar tol betaald moet worden heerst een enorme chaos. Duizenden volgepakte auto’s proberen zich met veel geweld door een paar nauwe geboortekanalen te wurmen.

Als ik eindelijk aan de beurt ben, stuntel ik met wegrollend kleingeld. De ongewassen werkstudent die tussen de uitlaatgassen z’n vakantiegeld bij elkaar zit te verdienen, schudt meewarig zijn hoofd. Vol afschuw beziet hij het tafereel; de zacht snurkende man, de slapende kinderen, de koeltas, waar een weeïge appelsaplucht uit opstijgt. Vanuit de hoogte overhandigt hij me het wisselgeld, een superieure blik in z’n ogen.

De volgende dag arriveren we op onze vakantiebestemming en vier ik mijn verjaardag. Tijdens het uitpakken constateren we dat we zowel luiers als pillen zijn vergeten, wat leidt tot een gênant gesprek met de – niet onaantrekkelijke – plaatselijke apotheker („J’ai uh... oublié mon pil uh... pilule de anticonception”). De bikini, die ik vlak voor vertrek uit een uitverkooprek heb getrokken, blijkt voor de helft te groot en voor de rest te klein. Als ik luiers wil gaan kopen in de supermarkt, realiseer ik me te laat dat onze gloednieuwe Citroën naar beneden zakt als je de motor uitzet en dat ik zojuist de motorkap over een venijnig randje heb geparkeerd. Wanhopig probeer ik de auto weer op te laten stijgen en weg te rijden. Twee Franse heren op leeftijd kijken onbewogen toe, hoe ik mijn voorbumper compleet naar God help.

In een lelijk Frans dorp, op mijn achtendertigste verjaardag, huil ik lang en hard. Niet om de kapotte auto. Of omdat ik weer 16 wil zijn. Maar omdat ik soms, héél even, alles weer zo onomstotelijk zeker wil weten, als die jongen in dat tolhokje.