‘Wij zijn geen robots’

Dak- en thuisloze jongeren praten met elkaar in een opvangcentrum in Amsterdam. Vandaag gaat het gesprek over regels en of je je daar altijd aan moet houden.

„Ik ben fucked up over regels”, zegt Adiel (20 jaar, Egyptenaar). Hij heeft zijn haar laten knippen. Zijn vader wilde dat graag, vertelt hij. Dat staat netter.

„Als je hier vijf minuten te lang aan de computer zit, mag je voor straf een week niet internetten. Dat is muggenziften.”

„Als er regels zijn, moet je begrip hebben voor degene die ze maakt. Stel je voor dat niemand regels serieus neemt.” Perdiep (21 jaar, Surinaams-Hindoestaan) pakt een koekje.

Adiel: „Kijk, wij zijn mensen. Geen robots. Als je je altijd aan regels zou houden, ben je een fucking robot! Politieagenten rijden ook te hard.”

„Dat is zo”, meent Erol (21 jaar, Nederlander). „Zij hebben lak aan hun beleid.” Hij doet voor het eerst mee aan het discussiegroepje. Ook hij heeft een ander kapsel. De hanenkam is eraf. „Als je met mensen samenwoont die een bepaalde achtergrond hebben, zoals wij hier, dan móét je je houden aan bepaalde richtlijnen.”

Na het eten ontstaat er ruzie tussen een van de bewoners van het opvanghuis en een begeleider. De jongen heeft zich niet aan zijn taken gehouden. Hij moet de afwas doen. Dat vindt hij niet terecht. Hij loopt woedend naar zijn kamer. Perdiep: „Als er geen regels zijn, kunnen mensen misbruik maken van anderen.”

„Weet je”, zegt Erol, „mensen lossen het met elkaar wel op. Als hier iemand de muziek te hard zou aanzetten, zouden wij zelf wel gaan klagen.”

Adiel: „Er is altijd baas boven baas. Zonder regels krijg je het stenen tijdperk. Mensen gaan roven. Ze maken elkaar af.”

Volgens Erol bepaalt de persoon met het meeste geld wat mag en wat niet.

Adiel: „De sterkste maakt de regels, maar er is altijd weer iemand die nóg sterker is. Dan is die eerste sterke weer een zwakkeling. En zo gaat het maar door. Maar sowieso heb je geen zin om je aan de regels van een klootzak te houden.”

Ze vragen zich af of je je altijd moet houden aan de regels van je ouders.

Perdiep: „Ouders zijn net rechters. Je moet je aan hún regels houden. Ook als je het er niet mee eens bent. Anders trappen ze je het huis uit.”

Adiel kijkt ernstig: „Ik praat uit mijn hart nu. Ouders die hun kinderen het huis uitzetten zijn zwak. Die hadden geen kinderen moeten nemen. Een kind is geen speelgoed. Stel, je hebt iets gestolen. Je vader of moeder moet dan uitleggen waarom je dat niet moet doen. Als je een goede ouder bent, geef je goed advies. Mijn ouders hebben me het huis uit getrapt.”

„Als ik president was, zou mijn belangrijkste regel zijn: respect voor elkaar”, zegt Perdiep.

„Dat is niet anders dan wat Balkenende zegt”, roept Erol.

Adiel: „Het maken van regels maakt eigenlijk niet veel uit. Het gaat om de mensen zelf. Ze moeten de regels zien zitten.”

Erol: „Het is onmogelijk om voor iedereen vaste regels te maken. Mensen hebben hun eigen principes. Waarom zouden mensen elkaar afknallen als er geen regels zijn? Maar eigenlijk klopt het ook niet wat ik zeg. In een andere wereld, een vrolijke, zou ik voor anarchie zijn. Hier maken mensen elkaar dood om eigendom. Dus er moeten toch wel regels zijn.”

De tijd zit erop. De jongeren moeten de recreatieruimte verlaten. Erol: „Zie je? We mogen geen minuut langer blijven, omdat het nu eenmaal de afspraak is. Kom op, we praten gewoon even verder.”

Om redenen van privacy zijn de achternamen weggelaten.