Tijdreis door het gebouw van Arti

Tentoonstelling: Façade. T/m 17 sept in Arti et Amicitiae, Rokin 122, Amsterdam. Di t/m zo 13-18u. Inl: 020 – 623 35 08, www.arti.nl

Het Arti et Amicitiae-gebouw aan het Rokin in Amsterdam is plechtig. De geschiedenis spoelt je al bij de entree tegemoet. Indrukwekkende kroonluchters verspreiden zacht licht, en aan de muren hangen lijsten met beroemde kunstenaars als Sluijters, Toorop, Mesdag en Alma Tadema, eerbiedwaardige leden van de kunstenaarssociëteit. De statige eikenhouten trappen van Berlage werden honderdvijftig jaar geleden toegevoegd, toen het pand werd verbouwd door architect Leliman. Om die verbouwing te herdenken organiseert de kunstenaarsvereniging nu de expositie Façade, met het eigen gebouw als onderwerp.

De ruimte van Arti is nooit omgetoverd in een zogenaamde white cube – een plek waar de kunst niet afgeleid kan worden door de omgeving. Nee, Arti is een plaats met een zichtbaar verleden. Op Façade zijn locatie en thema hetzelfde, als een slang die in zijn eigen staart bijt. Het resultaat is een beetje saaie en weinig uitdagend expositie – een samenraapsel van kunst die iets wil zeggen over ruimtelijkheid in het algemeen en over Arti als tentoonstellingsruimte.

Karakteristiek is Arti’s glazen puntdak met gietijzeren stutten – een vernieuwende constructie, uitgevoerd in 1841 door architect M.G. Tetar van Elven. Het is vastgelegd op een historieschilderij dat laat zien hoe Koning Willem II op 14 april 1860 bij Arti op bezoek kwam. De hedendaagse kunstenaar Michiel Kluiters gaf antwoord op het oude schilderij met een muurbedekkende zwart-witfoto die er precies tegenover hangt. Hij fotografeerde bovenin het puntdak, dat tegenwoordig aan het oog onttrokken is door een matglazen plafond. Net of je er middenin staat, met onder je voeten het plafond van later datum. Een mooie tijdreis is het: je herkent de balken en met accolades versierde stutten. Het zijn dezelfde als op het schilderij, maar dan sleets en stoffig.

Foto’s van Edwin Zwakman zijn aangerukt om iets te zeggen over tentoonstellingszalen in het algemeen. Het is goed werk, maar op deze manier teruggebracht tot een anekdote. Zwakman fotografeerde in miniatuur nagebouwde museumzalen op zo’n manier dat ze net echt lijken. De foto’s onderstrepen het feit dat Façade om tentoonstellingruimte gaat, maar in deze context zijn ze krachteloos. Werk en ruimte hebben elkaar eenvoudigweg niet nodig.

Maar ook als je direct verwijst naar de ruimte, wil dat nog niet automatisch een succes opleveren. Reinoud Oudshoorn maakte een object van twee kleine ovale ramen van matglas, en plaatste ze achter elkaar. Met een perspectivische ingreep maakt hij de ruimte ertussen groter dan die in werkelijkheid is. Het is een wel heel letterlijk commentaar op het glazen plafond achter het plafond. Het blijkt nog niet gemakkelijk, om een tentoonstelling die vooral over zichzelf gaat, te laten slagen.

Marc Nagtzaam, die met potlood in heldere rechte lijnen op een muur een geometrische illusie van een andere ruimte creëert, zet wel iets neer dat de verbeelding prikkelt. Ook de moeite waard zijn twee werken in het Berlage-trappenhuis. Sanja Medic maakte een bewegende videoprojectie van een luisterrijk barok interieur, dat in zichzelf overloopt alsof je door een caleidoscoop kijkt. Het geeft een andere draai, een vervormde kijk op het verleden.

In dezelfde ruimte klinkt een installatie met geluid van Bojan Fajfric, een werk dat klinkt als een soundtrack. Het gezoem is benauwend – alsof miljoenen pixels zich een ontsnapping uit een computer bevechten.

Deze twee werken interfereren met de klassieke omgeving, zodat een interessante spanning ontstaat. Zij geven ook aan wat Façade te veel mist: werken die de omgeving kunnen ontstijgen. Een paar keer lukt dat in Façade, maar het is te weinig. Nu sprankelt het alleen in het trappenhuis.