Pivate equity heeft niets met durven te maken

In de uitmuntende serie over het private equity-fenomeen wordt veelvuldig gerefereerd aan `durfinvesteerders/durfkapitaal`. Dit moge een correcte vertaling zijn van het Engelse `venture capital(ist)`, maar dat begrip heeft weer weinig gemeen met de doelstellingen, filosofie en werkwijze van de private equity-`investeerder`.

Een durfinvesteerder is een risiconemende geldverschaffer voor Shumpeteriaanse vernieuwende ondernemers, die voor financiering geen enkele kans hebben in het reguliere, uitsluitend op zekerheden opererende circuit van bijvoorbeeld banken. Het zijn zeker geen filantropen, want ook zij hopen uiteindelijk te kunnen kapitaliseren. Maar ze durven risico`s te nemen en ze moeten dan ook regelmatig verlies incasseren.

Private equity-investeerders worden in de Angelsaksische literatuur vaak omschreven als `predators`: rovers en plunderaars`. Zij kopen met zo min mogelijk risico bedrijven in bewezen markten om deze vervolgens drastisch af te slanken en vaak in delen naar de beurs te brengen of onderhands door te verkopen. Een exercitie die overigens bij ingedutte, zelfvoldane ondernemingen louterend kan werken. Het gaat hen echter niet om een bedrijf van de grond te krijgen, maar om extra vermogen te creëren uit bestaande ondernemingen.

De investeerders betalen hooguit eenderde uit eigen zak en zadelen de opgekochte onderneming op met torenhoge bankschulden. Er komt bijzonder weinig `durf` aan te pas, wel stapels rekeningen van de scouts die de smakelijke happen moeten opsporen en van de advocaten die het risico voor de `rovers en plunderaars` moeten dichttimmeren.

Private equity is de ultieme consequentie van het vrijemarkt-principe. Daar is niets mis mee. Maar het begrip tooien met de geuzennaam `durfinvesteerder` is suggestief en ongepast.