Op naar de eliminatie van kernwapens

Hoewel veel gezagsdragers openlijk hun twijfel hebben geuit over het nut van kernwapens en het gebruik ervan moreel onverdedigbaar hebben genoemd, zijn de arsenalen van de grote machten er nog steeds tot de nok mee gevuld.

De Amerikaanse minister van Defensie Robert McNamara en zijn collega van Buitenlandse Zaken Dean Rusk raakten er tijdens hun ambtstermijn onder president Kennedy van overtuigd dat het inzetten van kernwapens ‘ondenkbaar’ was.

President George H. W. Bush (de vader van de huidige president) heeft geschreven dat hij privé een nucleaire reactie tijdens de Golfoorlog van 1991 had uitgesloten, ook al hield zijn regering in het openbaar die mogelijkheid open.

Generaal Colin Powell, destijds de voorzitter van de Amerikaanse chefs van staven, beschrijft in zijn autobiografie hoe hij zijn baas Dick Cheney verwijt het gebruik van kernwapens zelfs maar te hebben overwogen.

Paul Nitze, een van de voornaamste architecten van de doctrine om de Sovjet-Unie met behulp van nucleaire afschrikking in bedwang te houden, ging nog een stapje verder. Hij betoogde in 1994 in een artikel in de Washington Post dat het tijd was om Amerika’s afhankelijkheid van kernwapens „overboord te zetten” en voortaan op slimme conventionele wapens te vertrouwen.

Toch hebben in de twaalf jaar sinds de verschijning van het artikel van Nitze weinig analisten of hoge regeringsfunctionarissen zich gemengd in het debat over de vraag of conventionele precisiewapens het werk wel zouden aankunnen.

Zoals Dennis Gormley in het huidige nummer van het kwartaaltijdschrift van het International Institute for Strategic Studies betoogt, blijkt uit een zorgvuldige analyse van rapporten van de Amerikaanse overheid en een aantal denktanks echter dat conventionele wapens alles kunnen wat van een kernwapen mag worden verwacht, en dat dan ook nog eens met minder onnodige slachtoffers en met minder politieke fall-out.

Ironisch genoeg was het de conservatieve president Ronald Reagan die probeerde de koe bij de horens te vatten. Op een topontmoeting eind 1986 met sovjetleider Michail Gorbatsjov bood hij aan alle offensieve ballistische raketten binnen tien jaar op te ruimen, op voorwaarde dat beide partijen dan vrij zouden zijn om strategische raketverdedigingssystemen te ontwikkelen.

Volgens Steve Andreasen, die in het Witte Huis heeft gewerkt als directeur Defensiebeleid van de Nationale Veiligheidsraad, zei Gorbatsjov nee. Maar een jaar later werden de twee presidenten het wél eens over het beperktere concept van de eliminatie van alle middellangeafstandsraketten.

Het idee van Reagan om alle ballistische raketten op te doeken verdient nadere beschouwing, vooral omdat het onderdeel van de overeenkomst waar de Sovjets de meeste moeite mee hadden, een strategisch raketverdedigingssysteem, tegenwoordig helemaal geaccepteerd is. Van alle ontwapeningsinitiatieven is dit plan het makkelijkst controleerbaar en het eenvoudigst uitvoerbaar. Bovendien zou het, in de woorden van Andreasen, „het ontzagwekkendste wapensysteem ooit” hebben ontmanteld.

En om de pessimisten tegemoet te komen, zou het vliegtuigen en kruisraketten die met kernwapens zijn uitgerust ongemoeid laten, maar wel een probleem uit de wereld helpen dat de huidige Amerikaanse president George W. Bush in zijn eerste verkiezingscampagne aanroerde. Hij merkte destijds op dat het dilemma van ballistische raketten inhield dat „het onverantwoorde risico’s met zich mee zou kunnen brengen als twee landen in vredestijd zoveel (kern)-wapens in de aanslag houden, dat een niet-geautoriseerde of onbedoelde lancering niet kan worden uigesloten”.

Het mooie van het voorstel van Reagan is dat zowel het politieke establishment als de publieke opinie het meteen begrijpt. De meeste eerdere ontwapeningsinitiatieven leidden tot buitengewoon ingewikkelde onderhandelingen waar vrijwel niemand meer een touw aan kon vastknopen.

Een mondiaal verdrag over de afschaffing van kernraketten zou de verleiding voor de Verenigde Staten en Rusland kleiner maken om elkaar als eerste met kernwapens te bestoken. Het zou ook de kans op een onbedoelde lancering verminderen en de taak van een raketverdedigingssysteem vereenvoudigen.

Maar het belangrijkste is dat het tegemoet zou komen aan een verlangen dat in een groot deel van de Amerikaanse en de Russische publieke opinie leeft – om elkaar niet langer als vijand te zien. Geen van beide kemphanen heeft immers ooit in een vlaag van woede een dodelijk schot op de ander afgevuurd.

In het tijdperk van Bush-junior, waarin de doctrine van de preventieve aanval prevaleert, zou een dergelijk verdrag het uiteraard onmogelijk maken een dreiging van een schurkenstaat of een terreurgroep met behulp van kernwapens een halt toe te roepen. Daarom hebben de voorstanders ervan al sinds de tijd van Reagan veel nadruk gelegd op het vergroten van de destructieve kracht en de nauwkeurigheid van conventionele wapens.

Zouden Rusland, China, Engeland en Frankrijk met zo’n verdrag instemmen? De strategische positie van Rusland zou erdoor vereenvoudigen. China zou er op het eerste gezicht geen baat bij hebben, maar omdat het land zijn ballistische rakettenmacht nooit tegen de Verenigde Staten in stelling heeft gebracht, kan het er misschien van overtuigd worden voor zijn verdediging te vertrouwen op zijn luchtmacht.

Groot-Brittannië en Frankrijk lijken dus de grootste verliezers, maar moeten tot het besef kunnen komen dat het een grote strategische winst oplevert als de dreiging van totale vernietiging verdwijnt. Bovendien moeten beide landen vroeg of laat deze grote onbeantwoorde vraag beantwoorden: tegen wie denken ze ooit kernwapens te zullen gaan gebruiken?

Als Groot-Brittannië en Frankrijk dat niet kunnen zeggen, kan niemand die vraag beantwoorden en mogen deze landen geen obstakel vormen voor een grote stap voorwaarts op weg naar de eliminatie van álle kernwapens.

Jonathan Power schrijft columns over internationale zaken.