Oorlog domineert Fringe festival

In het Schotse Edinburg werd gisteravond het Fringe festival afgesloten, met dit jaar opvallend veel politiek theater over het Midden-Oosten.

„Ta ta ta taaa taaaa! Trrrrrrrrrr ! Fiiiiiiiiiew kaboem!” Op de laatste avond van het Edinburgh Festival Fringe raast acteur Charlie Ross over het podium in zijn One–Man Star Wars Trilogy. Gehuld in een zwarte overall speelt Ross in zijn eentje in één uur tijd de hele sciencefiction-reeks Star Wars na. Als een spelend jongetje op het schoolplein, spreidt hij zijn armen om ruimteschepen na te bootsen. Daarbij maakt hij allerlei vlieg-, schiet- en ontploffingsgeluiden. Treffend zijn de imitaties van dwergridder Yoda en schurk Darth Vader, met Canadees accent en een ademhalingprobleem: „Kom (hijg) naar de Duistere Kant (hijg), Luke!”

Rust daalt vandaag weer neer over de sfeervolle Schotse stad nu de honderdduizenden festivalbezoekers naar huis gaan, de rugzakken vol Schotse souvenirs, petjes, rokken, rugbyshirts en whisky. Het internationale festival gaat nog een tijdje door, maar de Fringe is afgelopen, en daarvoor kwamen de meesten. Met zijn achttienhonderd shows en één miljoen verkochte kaartjes is de Fringe het grootste festival ter wereld. Zestig jaar geleden ontstond het festival in de marge (de fringe) van het Edinburgh International Festival, dat in omvang echter allang is overwoekerd door het broertje.

De regels zijn al zestig jaar hetzelfde: iedereen kan meedoen, maar je moet het zelf regelen en betalen. Zodoende is de Fringe een wildgroei van allerlei vormen van theater, van kunst tot troep. Meest in het oog springend zijn de lichte vormen: amusement, kleine musicals en comedy, met aanstekelijke titels als Confessions of a Paralysed Porn Star, The Lady Boys of Bangkok en The Puppetry of the Penis.

Maar de Fringe biedt ook serieus kunsttheater. Naast de sprookjesoorlog van Star Wars is er opvallend veel aandacht voor politiek en documentair theater over de échte oorlogen die het Westen momenteel in het Midden-Oosten voert. Enkele titels: Girl Blog from Iraq – Bagdad’s Burning, What I heard about Iraq, en het juichend ontvangen Black Watch. De laatste, opgevoerd door het National Theatre of Scotland, gaat over het Schots elitekorps dat naar Irak werd gestuurd. Schrijver Gregory Burke bouwt zijn stuk op uit onthullende interviews die hij hield met Black Watch-veteranen. Theater geeft vorm aan en kanaliseert de levende onrust in de samenleving. Veel mensen zijn bezig met de botsing tussen Oost en West; dat willen ze terugzien in de theaters. Zelfs tijdens een vrolijk weekendje Edinburgh.

De komedie My Brother’s Keeper wordt aangeprezen met de slagzin: „Gedurende de moeilijke Talibaan-jaren hield één ding de joodse gemeenschap van Afghanistan bijeen: beiden haatten elkaar.” Wat volgt is een waargebeurd verhaal over twee mannen die samen de piepkleine orthodox-joodse gemeenschap in Kaboel vormen, en onophoudelijk kibbelen over religieuze zaken. Levend onder een strenge moslim-dictatuur heb je wel wat anders aan je hoofd, zou je denken.

Een onrustbarende aanslag op geweten en rechtvaardigheidsgevoel is de monoloog My Name is Rachel Corrie, over de 23-jarige Amerikaanse vredesactiviste die in 2003 in de Gazastrook werd gedood door een bulldozer van het Israëlische leger, toen zij het slopen van Palestijnse huizen probeerde tegen te houden. Regisseur Alan Rickman (bij het grote publiek bekend als schurk in Die Hard, en Sneep in Harry Potter) bouwt het stuk op uit dagboeken en e-mails van de echte Corrie.

Actrice Josephine Taylor, een jong roodharig meisje in spijkerbroek met een open naturel dat goed past bij de rol, sleept ons aan de haren mee in dit avontuur. Het begint onschuldig, met de schets van een Amerikaans meisjesleven: Rachel is het drukke meisje met de fantasie, de grote mond, het grote vuur. Het meisje dat wil wegbreken uit haar beschermde wereld, die zo nep lijkt vergeleken met de échte wereld, waar écht wordt geleden. Dan volgt het verlies van onschuld in de Israëlische burgeroorlog. Nog meer ‘Fiiiiiiiiiew kaboem’ maar dan echt. Corrie eindigt met een betoog tegen de onderdrukking der Palestijnen.

Mijn aanvankelijke scepsis over het naïef ideële toerisme van de Amerikaanse smelt snel weg onder dit vurig betoog. Als snel houd ik van dit meisje, en wil ik dat ze niet dood gaat. En als dat toch gebeurt wil ik met verhit gemoed de straat op, en strijden tegen het onrecht.

Ik ga inderdaad de straat op – om naar de volgende show te wandelen: elf lieve Oxford-meisjes die a capella popliedjes zingen. Ze pinken een traantje weg, want dit is hun laatste optreden samen. Hierna gaan ze elders op de wereld studeren. Ze zijn ongeveer even oud als Rachel Corrie.