De Mozartstijl van Mariss Jansons is voorbeeldig

Concerten: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gehoord: 25 en 28/8, Concertgebouw Amsterdam.

Behoedzaam als geen andere dirigent is Mariss Jansons, chef van het Concertgebouworkest, met de Weense klassieken. In 1991 zei hij in deze krant dat het misschien de zwaarste taak van een dirigent is om reliëf te brengen in Beethoven of in langzame delen van een symfonie van Haydn en Mozart.

Pas nu, achttien jaar na zijn debuut als gastdirigent en twee jaar na zijn aantreden als chef bij het Concertgebouworkest, dirigeerde Jansons Mozart in Amsterdam. Vrijdag ging het Vijfde vioolconcert met concertmeester Vesko Eschkenazy als solist, vooraf aan de Eerste symfonie van Mahler, die Jansons in november nog een keer herhaalt. Gisteren klonken twee symfonieën en het Pianoconcert nr 20 met Alfred Brendel. Tussendoor was er de reprise van Sebastian im Traum van Hans Werner Henze, ‘eine Salzburger Nachtmusik’, vorig jaar december door Jansons in première gebracht. Donderdag klinkt dit alles in Salzburg als slotconcert van de Salzburger Festspiele in het Mozartjaar 2006.

De Mozartstijl van Jansons, het serieuze alternatief van een groot dirigent voor al het ‘authentieke’ of quasi-authentieke, baart vooral opzien omdat die zo weinig opvallende of extreme trekjes heeft. Anders dan bij Nikolaus Harnoncourt, die altijd tot het uiterste gaat, hoort men hier niet die voortdurende, en op het laatst zo vermoeiende pulsen.

De Mozart van Jansons is er een van zorgvuldigheid, evenwichtigheid en natuurlijkheid, prachtig ademend, muzikantesk, speels en gedetailleerd, opgebouwd vanuit structuur en klank, perfect geaccentueerd en soms lyrisch zingend, zoals bij Bruno Walter, ooit een vaste dirigent van het Concertgebouworkest. Maar het belangrijkste bij Jansons is misschien wel de theatrale dramatiek die hij etaleert. De Symfonie nr 23 KV 181, voor het eerst door het orkest in een concert gespeeld, klonk als een ouverture van een opera.

Drama was er ook in de onrustige stuwing aan het begin van het Pianoconcert nr 20, de dringende energie waarmee hij de Symfonie nr 33 KV 319 opende, de geserreerde spanning die hij daarna aanbracht in het Andantino moderato. Inderdaad: een zuiver muzikaal reliëf, waarover Jansons zich al decennia gedachten heeft gemaakt.

Jansons is ook een voortreffelijk begeleider, die solisten de ruimte geeft, maar vooral ook een overtuigende greep houdt op het geheel. Het Vijfde vioolconcert met de bescheiden Eschkenazy was en bleef kamermuziek. En de begeesterde en superieure meesterpianist Alfred Brendel mocht dan opvallen met zijn witte jasje en zijn heldere klank tegenover het vaak donker klinkende orkest, de meesterdirigent Mariss Jansons had het allemaal in de hand.

Eschkenazy speelde de negentiende-eeuwse cadensen van Joachim erg Beethovenachtig. En Brendel speelde zijn eigen cadensen, met soms een zweem Waldstein-sonate ook al Beethoveniaans. Als toegift speelde Brendel nog een stukje Haydn in de stijl van zijn ironische ‘Literaire variaties’ in zijn bundel Een vinger te veel (1998): Brendeliaans laconiek.