Baas

Wat was ik begonnen? Ik had de winkelier één argeloze vraag gesteld over een artikel dat ik op zijn schappen miste. Hij reageerde alsof hij hier jaren op gewacht had. Ik had De Kleine Ondernemer in hem uitgedaagd, besefte ik te laat.

„Ik heb het ergens in de magazijnen liggen”, zei hij.

Zijn toon was nog mat en droef, als van iemand die geleerd heeft te berusten in de onrechtvaardigheid van de wereld. Maar dat was schijn. Want toen ik vroeg of het misschien mogelijk was ‘het’ nú uit ‘de magazijnen’ te halen, nam hij me van hoofd tot voeten op. Wat moest hij met deze domme buitenstaander? Zijn beroepseer eiste een scherp, desnoods onbarmhartig optreden.

„U denkt zeker dat ik hier tien man personeel heb rondlopen”, zei hij. „Nou, vergeet het. Die tijden zijn in Nederland voorgoed voorbij. Ik moet het in m’n eentje doen. Personeel is te duur geworden voor de kleine ondernemer. Om je eerste personeelslid aan te nemen, ben je al veertig mille kwijt, exclusief loon. En dan moet je nog maar afwachten wat je daarvoor terugkrijgt. Het komt door de regeltjes en procedures in dit land.

„En dan vind ik geld nog geeneens het belangrijkste. Het gaat mij om de verantwoordelijkheden die je als baas krijgt toegeschoven. Als zo’n knaap met mijn auto door rood rijdt, kan ik de bekeuring betalen. Als hij op wintersport zijn poot breekt, draai ik ervoor op. En denk nou niet dat hij mij toestemming vraagt om op wintersport te gaan, want dit is Nederland en in Nederland vragen wij de baas nooit om toestemming.”

„Maar minister Zalm zegt dat er al veel regeltjes zijn afgeschaft”, zei ik.

„Dat zijn de verkeerde regeltjes”, strafte hij af, „daar kopen we niks voor. De lastigste regels zijn er nog steeds, en zolang we daar niets aan doen, wordt het niks met Nederland. Wij zijn een futloos land geworden. De middelmaat regeert, niemand neemt risico, tachtig procent zit in loondienst. Dat kweekt afhankelijkheid.”

„U doet alsof het alleen in Nederland fout gaat”, zei ik, terwijl ik aan een terugtrekkende manoeuvre begon. Er was gelukkig geen personeelslid dat me kon tegenhouden.

Hij maakte een brede armzwaai. „Nou ja, héél West-Europa. In Azië en Amerika hangt een totaal andere sfeer. Daar wordt aangepakt, daar hoef je je nog niet te schamen als je rijk wordt.”

„Maar je kunt er ook érg arm worden.” Mijn belachelijke christelijke inborst.

„Dat is weer dat slachtofferdenken”, blies hij. „Dat is nog het ergste in dit land. Iedereen denkt slachtoffer te zijn. We moeten daar helemaal vanaf. Wég met de subsidies, omlaag die uitkeringen en pensioenen. Maar wie vraagt de kleine ondernemer om zijn mening?”

„U ziet alles zo zwart-wit.”

Hij keek me doordringend aan. Hoe oud zou hij zijn? Jaar of vijftig. Hij was een korte, dikke man – dikke mannen zijn de beste klagers, de ware grootmeesters van de verongelijktheid. „Dat doe ik omdat u alles wat ik zeg relativeert”, zei hij.

In het volle besef van mijn zondigheid nam ik afscheid. Koppig en eenzaam stond hij in het midden van zijn zaak.

Een slachtoffer waar niemand voor opkwam.