Ontvoering

The Collector.

Het schoot meteen door me heen toen ik enkele details hoorde over de ontvoeringszaak van Natascha Kampusch in Oostenrijk. The Collector, in het Nederlands als De verzamelaar vertaald en nog steeds verkrijgbaar, is de titel van een roman uit 1963 van de Engelse schrijver John Fowles. Het boek werd twee jaar later door William Wyler verfilmd met Terence Stamp en Samantha Eggar in de hoofdrol. Als rechercheur van de Oostenrijkse politie – mijn geheime wensdroom – zou het een van mijn eerste vragen aan de ontvoerder Wolfgang Priklopil zijn geweest als hij nog geleefd had: „Heb jij ooit The Collector gelezen of gezien?”

Misschien zou Priklopil, die een ontwikkeld man schijnt te zijn geweest, wel geantwoord hebben: „Natuurlijk, ik ken mijn klassieken.” Misschien zou hij schouderophalend gezegd hebben: „Nooit van gehoord. Ik had genoeg aan Dutroux.”

The Collector maakte destijds grote indruk op mij. Het was een origineel, ijzingwekkend verhaal dat Hitchcock bedacht kon hebben, en het was in een overtuigende, literaire vorm gegoten.

Mijn vrouw weet zelfs nog precies wanneer ze het las: in de winter van 1969. We waren net getrouwd en logeerden in Frigge, een stokoud hotel in het centrum van Groningen, waar ik bij de plaatselijke krant een baan had gekregen. Onze woning was nog niet beschikbaar en omdat ik vaak ’s avonds moest werken, bracht mijn vrouw veel uren alleen door in een koud, verlaten hotel. Elke traptrede kraakte er onheilspellend, zelfs als er een hongerige muis overheen snelde. In die omstandigheden nam zij The Collector min of meer bevend tot zich.

Zij moet toen veel geleden én verzwegen hebben, want ik heb er niets van gemerkt. Het trauma kwam pas dezer dagen boven, samen met Natascha Kampusch. Ik kon me er wel iets bij voorstellen: een Priklopil-achtige verschijning, vermomd als een Groningse hotelbediende, die ’s avonds opeens aanklopt met de vraag: „Kan ik u nog ergens mee van dienst zijn, mevrouw?” Zijn schuwe ogen dwalen al af naar het bed achterin de kamer waarop een geopend boek ligt.

Frederick Clegg, de Priklopil in het boek van Fowles, is een onopvallende (!), keurige ambtenaar die gebiologeerd (!) raakt door een 20-jarige vrouw, Miranda Grey. In zijn vrije tijd is hij een vlinderverzamelaar. Miranda past eigenlijk wel bij die verzameling: haar schoonheid gevangen en symbolisch gedood in de kelder (!) van het huis waar hij haar voor onbeperkte tijd (!) vasthoudt.

Hij had haar in een stad op straat opgepikt (!) en in een bestelwagen (!) ontvoerd. Het gaat hem niet om losgeld (!), hij wil haar gewoon bezitten, ook al kan hij door impotentie zijn seksuele verlangens (!) niet bevredigen. In de loop van de tijd begint zij een zeker medeleven (!) met hem te ontwikkelen, maar ze blijft gebrand op ontsnapping (!). Dat zal haar echter niet lukken, zij sterft in gevangenschap aan een ziekte. Hij overweegt zelfmoord (!), maar bedenkt zich.

Ik houd niet van uitroeptekens, maar hier zijn ze de bondigste manier om de overeenkomsten tussen boek en werkelijkheid te benadrukken. Ik vond het boek bij herlezing minder spannend en sinister dan destijds. Niettemin blijft het meer geschikt als handleiding voor ontvoerders dan als lectuur voor jonge vrouwen op desolate hotelkamers in de stad Groningen.