It’s not the outsourcing, stupid!

Het is een hardnekkig misverstand dat export goed is voor een land en import slecht.

Een vlucht in protectionisme schaadt de eigen productie-industrie, menen

Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Cynici voorspellen dat de huidige ‘Doha-ronde’ van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) niet eerder zal zijn afgerond dan in 2010. De reden dat de huidige handelsronde zo moeizaam verloopt (en waarom alle rondes zich jarenlang hebben voortgesleept), is de foutieve veronderstelling dat export goed is voor het land en import slecht. Met export wordt geld verdiend, terwijl import alleen maar voor sluitende fabrieken en werkloosheid zorgt als gevolg van internationale outsourcing naar of concurrentie vanuit lagelonenlanden.

Deze redenering berust op een hardnekkig misverstand omdat het doel van internationale handel juist import is en niet export. Export is in werkelijkheid de prijs die een land betaalt om de beschikking te kunnen krijgen over goederen die het niet heeft of goederen die elders efficiënter en dus goedkoper kunnen worden geproduceerd. Export is nodig om de import te financieren.

Nieuw in deze discussie is internationale outsourcing, of uitbesteding, als oorzaak van een relatief nieuwe vorm van import. Door bedrijfsverplaatsingen gaat lokale productiecapaciteit verloren en moeten producten worden geïmporteerd die tot voor kort thuis gemaakt werden. De loonkostenverschillen met lagelonenlanden zijn dusdanig groot dat onvermijdelijk een groot deel van de traditionele maakindustrie zal verdwijnen – hetzij door rechtstreekse concurrentie, hetzij door bedrijfsverplaatsingen.

Thomas Friedman, de bekende Amerikaanse journalist van de New York Times, heeft hierover een boek geschreven – The World is Flat – dat al maanden op bestsellerlijsten staat. Friedman verplettert de lezer met anekdotes en voorbeelden die moeten aantonen dat de verplaatsingsgolf tsunami-achtige vormen aanneemt. Boeken als deze voeden de angst dat van internationale uitbesteding alleen maar economische rampspoed te verwachten valt. Protectionistische maatregelen vormen vervolgens snel de weg van de minste weerstand om tegemoet te komen aan de roep om tegengas. Deze logica gaat echter volstrekt mank.

De waarschuwing voor een uitbestedings-tsunami en de roep om protectionistische maatregelen zijn gebaseerd op economisch onbegrip. In het driftig exporterende Nederland floreert echter een vergelijkbare onrust. Onlangs nog werd bij Nationale Nederlanden een nieuwe vakbond opgericht wegens de concrete dreiging van internationale outsourcing.

En inderdaad: een steeds groter deel van het productieproces wordt verricht in allerlei buitenlanden. De spraakmakende Amerikaanse econoom Paul Krugman spreekt van ‘slicing up the value chain’. De productie van auto’s is een mooi voorbeeld. Uit een recente WTO-studie blijkt dat van een in de VS geproduceerde auto 30 procent van de waarde naar Korea gaat voor assemblage, 17,5 procent naar Japan voor elektronische componenten en overige techniek, 7,5 procent naar Duitsland voor ontwerp, 4 procent naar Taiwan en Singapore voor onderdelen, 2,5 procent naar Groot-Brittannië voor reclame, 1,5 procent naar Ierland en Barbados voor dataverwerking en uiteindelijk slechts 37,5 procent naar de VS.

Deze verdeling staat in scherp contrast met wat in de dertiger jaren van de vorige eeuw gebruikelijk was. Toen bracht een autofabriek in de VS aan de ene kant als het ware Amerikaanse ijzererts naar binnen, terwijl aan de andere kant auto’s naar buiten reden. Voor Thomas Friedman is deze omkering van de waardeverdeling ten gevolge van outsourcing hét gezicht van globalisering.

Om het moderne gevaar van internationale uitbesteding te beoordelen is het zinvol om twee vormen van bedrijfsverplaatsing te onderscheiden:

Outsourcing of ‘slicing up the value chain’ betekent dat bedrijven op zoek gaan naar locaties met lage lonen. Werk dat goedkoper in deze landen kan plaatsvinden, wordt daar naartoe verplaatst. Het hoogwaardig deel van het productieproces, zoals research & development en marketing, blijft hier, net zoals de mensen die zojuist zijn ontslagen in de verplaatste (maak)industrie.

Banen die hier verloren gaan, moeten aan ten minste twee voorwaarden voldoen: de productie kan overal plaatsvinden, en de relevante informatie-uitwisseling tussen koper en verkoper geschiedt zonder te veel misverstanden. Dit betekent dat banen die relatief routinematig zijn (bijvoorbeeld makkelijk door een computer kunnen worden verricht) of waarbij persoonlijk contact tussen verkoper en koper onnodig is, goede kandidaten zijn om naar lagelonenlanden te worden overgeheveld.

Heel anders is het gesteld met buitenlandse investeringen met het oogmerk lokale markten te bedienen. Een voorbeeld hiervan is Ahold dat ‘Stop and Shop’ koopt in de VS. Het gaat Ahold niet om lage lonen, maar juist om hoge lonen – dat wil zeggen: om koopkrachtige vraag. De marktomvang is daardoor groot en dat maakt investeren in de VS aantrekkelijk.

Wat laten de feiten zien? Het grootste deel van de buitenlandse investeringen – tussen de 70 en 80 procent – in Nederland en vanuit Nederland komt uit en gaat naar de rijke OECD-landen. Vooral de EU en de VS spelen hierbij de hoofdrol. De rol van de lagelonenlanden is slechts zeer beperkt.

Het overgrote deel van de buitenlandse investeringen staat in het teken van de speurtocht naar koopkrachtige markten. Bedrijven zijn kennelijk vooral op zoek naar de hoge lonen van consumenten in plaats van naar lage lonen van arbeidskrachten! Vooralsnog is import afkomstig van verplaatste bedrijven een relatief marginaal verschijnsel. Voor zover aanwezig is het alleen maar gunstig voor de consument. Die krijgt immers de beschikking over allerlei goederen en diensten die goedkoper zijn geworden.

Voor wie net het boek van Thomas Friedman uit heeft, misschien toch een verrassende constatering. Dat de cijfers een andere wereld beschrijven dan die van Thomas Friedman, wil echter niet zeggen dat internationale verplaatsing alleen maar rozengeur en maneschijn impliceert. Immers: uiteraard kost outsourcing ook banen.

Het gaat allang niet meer alleen om banen die een routinematig karakter hebben en die verplaatsbaar zijn, maar in toenemende mate ook om werk dat minder gestandaardiseerd is. Niet alleen laaggeschoolde werknemers in de assemblage lopen gevaar, maar ook hun collega’s in sectoren met hooggeschoolde arbeid.

Goed opgeleide Indiërs die werkzaam zijn in de computerindustrie of als ‘offshore’ accountant vormen wel degelijk een bedreiging voor de softwarespecialist of accountant in Nederland. Verdere verbeteringen in de communicatietechnologie zullen in de toekomst steeds meer banen een internationaal karakter geven. Het gaat hier evenwel om diensten die onpersoonlijk zijn. Diensten die contact vereisen tussen consument en producent, zoals bij de kapper, lastige juridische kwesties of ingewikkelde bouwprojecten, zullen buiten schot blijven. Ook in de maakindustrie blijft werkgelegenheid behouden die wordt ingezet ten behoeve van maatwerk op lokale markten.

Voor een land als Nederland kunnen aan deze analyse twee conclusies worden verbonden:

De baten van de internationale verplaatsing van gestandaardiseerde en plaatsongebonden activiteiten zullen uiteindelijk de kosten van het banenverlies overstijgen. Een vlucht in protectionisme is contraproductief.

In de tweede plaats moet worden geïnvesteerd in condities die de vervanging van de verloren banen door andere vormen van werkgelegenheid makkelijker maken. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt moet de vraag naar plaatsgebonden laaggeschoolde arbeid worden bevorderd door de prijs van lokale dienstverlening te verlagen. Onderin het loongebouw moet de belastingdruk worden geminimaliseerd, zodat het inhuren van de schilder en tuinman aantrekkelijk wordt.

De bovenkant van de arbeidsmarkt moet worden versterkt. De sleutel daartoe is een substantiële verhoging van de investeringen in hoger onderwijs en onderzoek. Alleen dan wordt het innovatiepotentieel van de Nederlandse economie voldoende opgeschroefd. Dat komt ook de lokale maakindustrie ten goede.

Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn zijn als hoogleraar economie verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.