Een aandoenlijke prins in onderbroek

Vrijdagavond opende de RuhrTriënnale met Das Leben ein Traum, het nieuwe stuk van Johan Simons. In de bakstenen machinehal strijdt een zwakzinnige prins met zijn vader en de zware keuzes in het leven.

De koning loopt vermoeid rond met een nat washandje op zijn kale hoofd, het lijf gewikkeld in verhuisdekens. De prins ligt als een dierlijke zwakzinnige in zijn onderbroek vastgebonden op een kolenkar. De koningin in haar witte jurk heeft als enige nog wat grandeur over, maar zij is al jaren dood.

Met een bonte, slonzige verkleedkist-vormgeving toont regisseur Johan Simons in Das Leben ein Traum (Het leven een droom) een koninklijk hof in verval. Het muziektheaterstuk, opgevoerd door NTGent, opende vrijdagavond de RuhrTriënnale in het Duitse plaatsje Gladbeck. Eens in de drie jaar vult dit festival de gerenoveerde monumentale fabriekshallen van het Duitse Roergebied met vooruitstrevende podiumkunst, vooral muziektheater. Op het eerste festival was de Nederlandse regisseur al aanwezig met zijn festivalhit De val der goden, in 2003 maakte hij er zijn prachtige Sentimenti. Net als in die voorstellingen, laat Simons in Das Leben ein Traum zijn acteurs in onberispelijk Duits spelen. Na dit festival gaat de Nederlandstalige versie op tournee door Nederland en Vlaanderen.

Het thema van het festival dit jaar is ‘Barok’. Hoewel Johan Simons weinig opheeft met de oude of nieuwe Barok – hij zit nog tot zijn oren in de Romantiek – koos hij toch een van de hoogtepunten van dat tijdperk, Het leven een droom (1635), van de Spaanse schrijver Pedro Calderón de la Bara.

De Machinehal in Gladbeck, met zijn hoge bogen van baksteen en zijn enorme generator, is op zich al een indrukwekkend decor. De groep bespeelt de gehele breedte van de hal, met centraal een spoorrail waarop de kolenwagen rondrijdt, die Simons ook in Sentimenti gebruikte. Op de wagen zit de held van dit sprookje, de prins (Aus Greidanus jr.) die zijn hele leven in gevangenschap heeft doorgebracht, omdat bij zijn geboorte as voorspeld dat hij zijn ouders en het Rijk zou vernietigen. Dramaturg Koen Tachelet heeft het oorspronkelijke stuk flink gestript en gemoderniseerd – met behoud van versvorm – tot er een vereenvoudigd, compact ‘libretto’ overbleef. Dit geeft veel ruimte voor de muziek die Peter Vermeersch schreef voor een ensemble van acht man, gekleed als carnavals-toreadors. Vermeersch schreef voornamelijk ondersteunende illustratieve muziek, maar ook enkele aria’s, gezongen door de in zuurstokroze pak gestoken Christoph Hombergen. Muziek en toneel zijn voorbeeldig geïntegreerd; de acteurs spelen veel met zinsmelodieën, ritme en herhalingen, waardoor de nadruk op de vorm ligt en het kunstmatige van het spookje wordt benadrukt.

Het toneelstuk draait om de ‘vrije’ keuzes die de prins maakt. De eerste keer dat hij wordt vrijgelaten, als test, pleegt hij meteen een moord en een verkrachting. Zijn idee van vrijheid is immers: doen waar je zin in hebt. De tweede keer wordt hij bevrijd door een revolutionair die de tirannie van de vader omver wil werpen. Als de prins eenmaal de macht heeft, onderdrukt hij zijn driften, vergeeft zijn vader, en gooit de revolutionair in de gevangenis. Wat is de vrije wil? Doen wat je leuk vindt; of doen wat je wijs acht, ook al gaat dat tegen je eigen wensen in.

Vierhonderd jaar geleden was de bekering van de prins misschien een happy end voor de Spaanse elite, maar wij blijven met een kater achter: fijn dat de prins zijn macht niet gebruikt om zijn wraak uit te leven. Maar hij smoort ook de revolutie en bestendigt het tirannieke systeem.

Simons heeft het stuk lekker losgeklopt. Afgezien misschien van het plezierig trage tempo, is van het barokke weinig overgebleven, maar meeslepend is deze extreme bewerking zeker. Greidanus is sterk en aandoenlijk als prins in onderbroek. Alleen is de de keuze om hem als ziek, getergd dier af te beelden niet sterk. De ‘vrije’ keuzes van een verminderd toerekeningsvatbaar kind zijn minder interessant dan die van een man bij volle verstand.

Wim Opbrouck schittert als zijn bewaker en verzorger. Vaderlijk wast hij de prins, en even vaderlijk verstikt hij de jongen met zijn stevige armen. Betty Schuurman, als de geest van de koningin, is drager van de filosofische gedachte achter het stuk: het leven is een droom, soms ontwaak je als gevangene, soms als koningskind. Werkelijkheid is in deze gedachtegang een zeer betrekkelijk begrip. Met zachte hand leidt de koningin haar man en zoon door de moeilijke keuzes in hun leven. Als de prins eenmaal tot wijze koning is bekeerd, voelt hij zich onvrijer dan ooit. Zijn laatste woorden zijn: ,,Mama, ik ben bang.’’