De Abchaziërs waken over hun lege land

Georgië heeft haast. Het wil snelle hereniging met Abchazië, de regio die zich in 1993 na een korte, bloedige burgeroorlog losvocht. Maar de Abchaziërs voelen daar niets voor. ‘We hakken ze de pan in.’

Laat ze komen met hun Amerikaanse wapens, buldert Roeslan Kisjmaria, leider van de stad Gali. „Georgiërs missen strijdlust, het zijn operettefiguren. We hakken ze in de pan, donderen hun vluchtelingen over de grens en bouwen een Berlijnse Muur om ons land.”

Er heerst nervositeit in Abchazië, een pariastaatje aan de Zwarte Zee dat zich in 1993 na een korte, bloedige burgeroorlog van Georgië losvocht. Eind vorige maand rolden tweeduizend man Georgische troepen de Kodori-vallei binnen, een hoogvlakte waarvan de bergpassen de hele winter zijn dicht gesneeuwd. Een reclamestunt van de Georgische president Saakasjvili, wiens populariteit tanende is? Of de aanzet tot een nieuwe oorlog?

De burgeroorlog heeft diepe sporen getrokken door Abchazië, eens een zonnige vakantiekolonie van de Sovjet-Unie. Het verpauperde staatje herinnert met zijn vergane vakantieglorie en gebrek aan reclameborden aan Cuba. Complete straten in de hoofdstad Soechoemi bestaan uit verkoolde, met gras overgroeide bouwvallen, in badplaats Gagra staren verlaten torenflats met dode ogen naar de horizon.

In 1993 scheidde de autonome regio Abchazië zich af van het pas onafhankelijke en volstrekt chaotische Georgië. Met hulp van Russisch wapentuig en Kaukasische huurlingen, zo luidt een verwijt, want Moskou wilde Georgië klein houden. Tweehonderdduizend Georgiërs sloegen op de vlucht voor moordpartijen, bijna de helft van de bevolking. Nu waken de Abchaziërs wantrouwig over hun lege vaderland. Ze zijn met zo weinig, dat zelfs Georgië een grootmacht lijkt.

Zonder buurman en grote broer Rusland was Abchazië allang failliet geweest. Roebels vormen de munteenheid, Russische toeristen de enige bron van inkomsten. Een Russische vredesmacht bewaakt samen met de VN de status-quo, tachtig procent van de inwoners heeft een Russisch paspoort.

Maar de vrede oogt fragiel sinds in Georgië de viriele president Saakasjvili eind 2003 de macht overnam van zijn uitgebluste voorganger. Hij wil de drie onafhankelijke regio’s Adzjarië, Zuid-Ossetië en Abchazië met Georgië herenigen. Dat lukte in Adzjarië en leidde in Zuid-Ossetië tot schermutselingen. Nu is Abchazië aan de beurt, zo vreest men. Saakasjvili belooft vreedzame methoden, maar dat gelooft niemand. Waarom beëindigt Georgië dan de economische blokkade niet? Waarom roept Saakasjvili nu zijn reservisten op? En wat wil hij met zijn leger, door een Amerikaans ‘train and equip’-programma aanzienlijk versterkt?

Eind juli sloeg het wantrouwen even om in paniek toen Georgische pantserwagens de Kodori-vallei binnenrolden. Deze hoogvlakte heeft een aparte status: hier wonen Svani, een aan de Georgiërs verwant bergvolk. Hun ‘Jagersmilitie’ hield tijdens de burgeroorlog stand, de hoogvlakte bleef daarom onder indirecte controle van Tbilisi. Georgië zegde in 1994 toe de vallei te demilitariseren. Een VN-vredesmacht mocht er patrouilleren, de Svani bleven met Georgische hulp baas in eigen huis.

Totdat Tbilisi vorige maand een troepenmacht stuurde. De inval is niet militair van aard, bezweert Georgië. Een lokale krijgsheer, Kvistiani, had zijn vallei tot een broeinest van banditisme, wapen- en drugshandel gemaakt. Kvistiani maakte gemene zaak met de Abchaziërs en perste Georgië af door hartje winter de stroomkabels uit Rusland door te snijden.

De Abchaziërs zien het echter als een doorzichtig excuus om Georgische troepen dicht bij hun hoofdstad te brengen. Want Georgië zou haast hebben, omdat het bewind van Saakasjvili vreest dat Rusland overweegt Abchazië te erkennen.

Abchazië behoort tot het rijtje etnisch gezuiverde pariastaatjes in de voormalige sovjet-ruimte: Transnistrië, Zuid-Ossetië, Nagorno-Karabach. Ook Rusland erkent ze tot dusver niet, want met het oog op eigen afscheidingsbewegingen in Tsjetsjenië en Tatarstan vreesde Moskou een precedentwerking. Nu separatisme geen serieuze bedreiging meer vormt en Rusland in het buitenland een eigenzinnige koers vaart, slinken die reserves.

In Abchazië volgt men nauwlettend de ontwikkelingen op de Balkan, waar het draagvlak groeit om het sinds 1999 de facto van Servië afgescheiden Kosovo te erkennen. „Als het Westen dat doet, kan men ons de onafhankelijkheid niet ontzeggen”, meent Stanislav Lakoba, hoofd van de Abchazische veiligheidsraad.

Ten oosten van hoofdstad Soechoemi ligt een brede vlakte. Daar woonden de Georgiërs die in 1993 vluchtten voor moordende Abchazische milities. Diepe gaten in het asfalt, in spookdorpen een enkele bejaarde met wat grazende koeien. Bij de grens met Georgië wordt periodiek wat geschermutseld. Sinds 1998 keerden veertigduizend vluchtelingen onder bescherming van VN-troepen terug naar hun boerderijtjes. Vooral bejaarden, maar veel Abchaziërs zien het als een vijfde colonne.

In grensstad Gali treffen we presidentieel gezant en houwdegen Roeslan Kisjmaria in een kaal kantoor met ratelende airco. Het gesprek wordt voortdurend onderbroken door telefoontjes van Georgische journalisten. Klopt het dat drie Georgische partizanen gisternacht sneuvelden bij vuurgevechten met zijn troepen? „Onzin, daar weten wij niets van”, buldert Kisjmari, die zich zichtbaar opwindt. Gali ligt in de gedemilitariseerde zone van de VN en is verboden terrein voor tanks en artillerie. „Maar ze staan klaar, vlak om de hoek”, dreigt Kisjamria. „De Georgiërs sturen sabotageteams en criminelen over de rivier, en dat noemen zij partizanen.”

Wanneer een liaisonofficier van de VN-vredesmacht op de deur klopt en aanschuift, bast Kisjmari: „En blauwhelmen, dat zijn toeristen. Ze komen foto’s nemen als het vechten erop zit.” De VN’er schuifelt ongemakkelijk op zijn stoel. Kisjmaria kan niet wachten op een nieuwe oorlog. „De volgende nadert en wordt de laatste. Dan is de hypocrisie voorbij en zuiveren we ons land.”