Boris Boeven

Volgens de Grote Van Dale wordt een tussenpersoon of stroman in het zwartgeldcircuit een smurf genoemd. En voor het ‘telkens kleine bedragen bij verschillende banken storten’ gebruikt men het woord smurfen.

Deze woorden verwijzen naar de Smurfen, een creatie van de Belgische tekenaar Pierre Culliford (1928-1992). Hij tekende ze onder het pseudoniem Peyo, een schuilnaam die is gebaseerd op de uitspraak van zijn vroegere roepnaam Pierrot.

Culliford debuteerde in 1946 met de stripfiguur Johan, een dappere page uit de Middeleeuwen. De smurfen verschenen in 1958 als bijfiguren in een avontuur van Johan en Pirrewiet: De fluit met zes smurfen. Dat verhaal gaat over een toverfluit die is gemaakt door Smurfen, „kleine figuurtjes van drie turven hoog, die niets menselijks hadden”, aldus Peyo. Ze hadden echter zoveel succes dat ze een eigen leven gingen leiden en Johan en Pirrewiet naar de achtergrond verdrongen.

„Dit keer was de Boris Boef”, schreef BN/De Stem onlangs over een insluiper, „binnengeslopen toen een van de kinderen even boven was.” Zijn er lezers die niet meteen weten wie Boris Boef is? – dan kennen zij hun klassieken niet!

Boris Boef is – vanzelfsprekend – een van de Zware Jongens uit de stripverhalen van Donald Duck. De Zware Jongens debuteerden in 1951 in een verhaal getiteld ‘Terror of the Beagle Boys’. Dit verhaal was bedacht en getekend door Carl Barks, die man die ook Dagobert Duck, Guus Geluk, Willy Wortel en Duckstad creëerde. Er komen veel verschillende Zware Jongens in de Duckverhalen voor. In de oorspronkelijke Engelstalige editie luisterden zij naar namen als Babyface Beagle, Baggy Beagle, Bankjob Beagle, Bigtime Beagle, Bouncer Beagle, Bugle Beagle en Burger Beagle. Hun moeder heet Ma Beagle. In Nederland is vooral Boris Boef bekend geworden.

Desi Bouterse is weleens de ‘Surinaamse Boris Boef’ genoemd, en in 1998 zei criminoloog Van Duyne: „Het beeld van Boris Boef, de herkenbare crimineel met stoppelbaard, voldoet niet meer.”

Of grote criminelen al vóór de Beagle Boys in het Nederlands zware jongens werden genoemd, heb ik niet kunnen achterhalen. Nu is het in ieder geval een zeer gangbare aanduiding.

Een ‘krachtpatser’ of ‘bodybuilder’ wordt geregeld een hulk genoemd. Dit is een verwijzing naar de ‘Incredible Hulk’, de hoofdpersoon in een Amerikaanse televisieserie. De Hulk debuteerde echter niet op televisie, maar in een stripverhaal van de Amerikaanse tekenaar Stan Lee, in het tijdschrift Marvel Comics. De Hulk werd algemeen bekend door de CBS-televisieserie die tussen 1977 en 1982 werd geproduceerd en van 1979 tot 1992 op de Nederlandse televisie te zien was. Bill Bixby speelde in deze serie de rol van wetenschappelijk onderzoeker David Banner. Banner, die bij een laboratoriumongeluk besmet is met een mysterieus chemisch goedje, verandert in stresssituaties in een grote, wilde, groene man, die door zijn enorm aanzwellende Popeye-spierballen uit zijn kleren scheurt. In die gedaante werd hij gespeeld door bodybuilder Lou Ferrigno.

Aanvankelijk werd Hulk met een hoofdletter geschreven of had men het over De Hulk („De Hulk uit Waddinxveen”), maar inmiddels is hulk een soortnaam geworden. Bij toeval sluit de betekenis aan bij een oud Nederlands woord, namelijk hulk als benaming voor ‘soort van groot zeilschip’. Vanwege de grote omvang van dit zeilschip werd hulk vroeger ook wel overdrachtelijk gebruikt „als voorbeeld van iets met zeer grooten inhoud”, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal.