Zorgvuldigheid gaat voor haast in Libanon

Europa laat onverwachts daadkracht zien met de toezegging, gisteren in Brussel aan VN-chef Kofi Annan, om tussen de zeven- en negenduizend militairen te leveren voor de vredesmacht van de Verenigde Naties in Zuid-Libanon. Aan deze missie kleven talloze risico’s en bezwaren, en toch is het belangrijk dat de internationale verplichting die hier is aangegaan, daadwerkelijk wordt nagekomen. Een aantal landen van de Europese Unie toont zich voor de verandering eensgezind en is bereid in Libanon de nek uit te steken. Italië gaat met drieduizend man, Frankrijk na een gênante eerdere toezegging van een paar honderd, komt met tweeduizend militairen. Spanje, Polen, de Scandinavische landen – ja, zelfs het vredesmissiesschuwe België heeft manschappen toegezegd. Voor Europese begrippen is dit snel en veel. Een hoopvol begin, kortom.

Moet ook Nederland een bijdrage leveren? Het verzoek ligt er in ieder geval. De Libanese regering heeft Nederland om een marineschip gevraagd voor patrouilles tegen wapensmokkel. Omdat Nederland met twee grote en vijf kleinere vredesoperaties in het buitenland momenteel de handen vol heeft, had Den Haag eerder laten weten ondersteuning met grondtroepen uit te sluiten. Die terughoudende opstelling was juist. Met name de militaire verplichtingen in Afghanistan (circa 2.300 man) zijn riskant, kostbaar en veeleisend. Grootschalige deelname met (pantser-)infanterie aan een gecompliceerde missie als in Zuid-Libanon is nu een stap te ver.

Het sturen van een marineschip is ogenschijnlijk minder riskant en niet zo veeleisend, en men toont als land zijn goede wil. Het makkelijkste is om meteen ‘ja’ te zeggen. Maar Nederland doet er goed aan om af te wachten wat Duitsland precies doet. Berlijn heeft eveneens een maritieme bijdrage toegezegd. Nederlandse afstemming hierop is noodzakelijk. De risico’s ter zee zijn overigens groter dan algemeen wordt aangenomen. Marineschepen kunnen als schietschijf voor terroristen dienen. Bovendien kunnen fregatten van de vredesmacht te maken krijgen met een onwillige Israëlische marine die de zeeblokkade van Libanon wil handhaven. Wat moet er dan gebeuren? Daarover is nog weinig vastgelegd.

Een Nederlands fregat sturen lijkt eenvoudig. Principiële bezwaren zijn er niet, maar laat eerst snel duidelijk worden wat de omstandigheden zijn. Details graag over mandatering, taak, commandovoering en samenwerking met andere landen. Zorgvuldigheid hierover is belangrijker dan de haast waarmee de troepenmacht moet worden opgebouwd.

De Tweede Kamer dringt terecht aan op helderheid over de VN-missie. De komende dagen zijn bepalend. Overleg bij de VN moet uiteindelijk resulteren in wat de deelnemers aan de vredesoperatie allemaal eisen: garanties dat de internationale troepenmacht geweld mag gebruiken bij de uitvoering van haar werk. Dat betekent, als het noodzakelijk is, dat er geschoten mag worden op Hezbollah-strijders of Israëlische militairen. Dit kan alleen als Unifil, de vredesmacht in Libanon, een stevig (‘robuust’) mandaat krijgt. Daaraan ontbrak het tot nu nu toe. De Unifillers moesten machteloos bij de gevechten toekijken en werden uiteindelijk zelf doelwit.

Er zullen allerlei regels en garanties moeten komen die het onaantrekkelijke, riskante en ondankbare werk van Unifil mogelijk maken. Over medewerking van de oorlogvoerenden, over ontwapening van Hezbollah, over de loyaliteit van deze beweging aan de Libanese regering, over de noodzaak om troepen van moslimlanden tot de VN-macht toe te laten en de weigering van Israël om dit te laten gebeuren, over de rol van Syrië en de mogelijkheid van een nieuwe crisis is dan nog niet eens gesproken.

Het is een schier onbeheersbaar krachtenveld dat de EU-landen wacht.