We willen getemde wildernis, geen ongetemde

Ik stond op het balkon van de presidentiële suite op de achtste verdieping van het Marriott Hotel en keek naar het verre weerlicht boven de bergen. Een lokale ondernemer had mensen uitgenodigd om vanaf deze plek naar het vuurwerk ter ere van St. Istvan’s dag, dé nationale dag, te komen kijken. Als één gebouw in Boedapest het verdient door een precisiebombardement uit het stadscentrum verwijderd te worden, dan is het het Marriott, een dertig meter hoge vierkante betonnen bunker uit de jaren ’70 die volledig detoneert met de omgeving. Ondanks de botheid ontbeert het gebouw het dictatoriale dat de communistische architectuur uit dezelfde tijd nog enigszins te pruimen maakt (als curieuze getuigenis van een periode).

Beneden op de kades van de Donau stonden honderdduizenden op het vuurwerk te wachten. Stipt om negen uur begon het. Het meeste vuurwerk werd vanaf de top van de steunpilaren van de kettingbrug de lucht ingejaagd. Een vrouw die naast me was komen staan zei: „Het mooiste is als er een waterval van vuurwerk van de Kettingbrug valt.”

Je voelde de wind aanblazen. Ik stapte van de reling terug. Vorig jaar was er tijdens de Grand Prix een dronken lid van het MacLaren team van het Marriott gevallen en op de kade te pletter geslagen. Ik voelde een druppel op mijn hoofd. Het vuurwerk was net vijf minuten aan de gang. „Kijk daar”, zei de vrouw enthousiast: „Zo’n waterval! Net als vorig jaar.” Ze wees naar de Erzsébet brug. Over de gehele lengte van de brug stroomde oogverblindend wit vuurwerk naar beneden.

Bovenwinds, aan de noordzijde van het terras, stond een rij koks en obers achter schalen en glimmende apparatuur. De geur van gegrild vlees. Ineens begon de wind te razen. Glazen woeien van tafel. Ik ben geen schipper, visser of piloot en zelfs als boer, wat ik theoretisch gezien wél ben, volg ik het weer nogal passief. Als ik weet dat de tarwe of de gerst dreigt uit te drogen sla ik tevreden gade hoe de lucht betrekt.

In één hand hield ik een glas champagne. Met de andere hield ik de losse glazen op het tafeltje zo’n beetje in bedwang. De windvlaag bleef aanzwellen. Alle vrouwen waren in hun gebloemde zomerjurkjes inmiddels de suite ingevlucht, de meeste mannen ook. In een hoek onder een luifel stonden de obers als een groepje pinguins dicht op elkaar gedrukt. Een tafel met glazen en flessen werd omgeblazen, de explosie van barstend glas werd overstemd door het gebulder van de wind. Glazen gingen eerst, tafellakens bolden als zeilen en woeien tegen de reling, tafels sloegen om en begonnen te schuiven, evenals barbeques en grills, lappen vlees zweefden door de lucht, loodzware plantenbakken met coniferen schoven over het terras.

Daarbij begon het te hozen. Voor ik de zes meter naar de deur had afgelegd was ik doorweekt. Een fotograaf in een hip overhemd was zo helder van geest zoveel mogelijk tafels in te klappen zodat ze niet van het terras naar beneden zeilden. Ik hielp halfslachtig, vooral hield ik de deur open. Ik vreesde van het terras geblazen te worden.

De wind was bruut hard. Bomen en auto’s werden opgetild en door de straten geblazen. Op de kades van de Donau was onder de honderdduizenden toeschouwers een stampede uitgebroken. In de vlucht naar dekking voor de neerstriemende regen en de rondvliegende dakpannen, takken, bomen, tenten, bouwsteigers en prullenbakken werden tientallen mensen omvergelopen.

De getemde wildernis, dat is wat we willen, niet de ongetemde. Het vuurwerk ging ondertussen onverstoorbaar door. Door de striemende regen was met moeite een rooie gloed uit de richting van de Kettingbrug waar te nemen. Dat beneden op de kade de volledige paniek overheerste en de vluchtende massa over gehandicapten in rolstoelen heen klom wist ik niet. Na zo’n twintig minuten was de storm over.

Ik liep het balkon op en keek over de zuidreling naar beneden: in de diepte geen tafels, ook geen gewonden. Het verschil tussen de Donau en de kade was vervaagd. De verlaten straten stonden blank. De honderdduizenden waren verdwenen, alsof ze verzwolgen waren.

Samen met de gastheer van de avond nam ik de lift naar beneden. Op de begane grond van het hotel waren tegen de duizend mensen verzameld. Overal lagen kinderen met grote schrikogen, gewikkeld in witte handdoeken van het Marriott. Naakte mannen en vrouwen zaten met een handdoek of in een hotelkimono verslagen in de stoelen van de lobby. De tweede man van het hotel had de poorten geopend. Hij was aan het regelen dat de mensen in shock warme thee kregen. Hij keek bezorgd om zich heen en schudde zijn hoofd: „Weet je, in de eetzaal zitten hotelgasten en die klagen dat ze zo lang op hun eten moeten wachten.” Met zo’n tweede man dient, hoe lelijk het gebouw ook is, het precisiebombardement nog even uitgesteld te worden.

Door een desolate stad liepen Ilonka en ik naar de metro, reusachtige takken op de kades, omgewaaide bomen en geknakte borden op de Dunakorzó, achtergelaten schoenen en papieren. Midden op de stoep achter het Marriott stond een ingedeukte en doorweekte kinderwagen, op het Vörösmarty Ter een muzikant die verlaten in de nacht op een saxofoon blies.

De volgende ochtend – de zon kwam op alsof er niets gebeurd was – sprak ik iemand die meende dat Sint Istvan met de exact getimede storm een teken had gegeven.

jaap@scholten.hu