Tuttebollen met een roofdierengebit

Dennis Blomjous, verzorger in Blijdorp, heeft een intens contact met de zeeotters Micas en Maré. „Als ze droog zijn, zijn het net pluchen beesten.”

Een tatoeage van een otter op zijn bovenarm, zoals zijn collega in de Rotterdamse Diergaarde Blijdorp, heeft Dennis Blomjous weliswaar niet, maar hij is naar zijn zeggen beslist ‘ottergestoord’. Sinds hij in 1990 als verzorger in Blijdorp begon, kreeg hij te maken met vogels, olifanten, nacht- en roofdieren. Op alle afdelingen werkte hij met plezier; met geen van de soorten was het contact echter zo intens als met de otters. Let wel: met de in zoetwater levende Europese otters (Lutra lutra) heeft hij niet zo veel op, dat kunnen ‘bijterige krengen’ zijn die hij met een bezem op afstand moest houden als hij hun verblijf binnenging. Nee, hij heeft zijn hart verpand aan de zeeotter (Enhydra lutris) die voorkomt in de koude golfstroom voor de kust van Californië tot aan Alaska en aan de Aziatische noordoostkust van Rusland tot Japan.

Is er ergens in Alaska een otter aangespoeld, dan pakte hij het liefst meteen zijn koffer als hij kon. Hij heeft ze wel eens gezien, wilde otters. In sommige baaien in Alaska weet je waar ze liggen, ze zijn nieuwsgierig en als je er met een bootje vaart, komen ze naar je toe. Toch is hij niet uitsluitend op otters gefixeerd – eigenlijk, zegt hij, heeft hij een zwak voor alle zeezoogdieren. De zeeleeuwen Billy, Sjaan, Toos en hun familieleden in Blijdorp verzorgt hij met evenveel toewijding als de zeeotters Micas en Maré. Maar als hij hun belangen tegen elkaar moest afwegen zou hij kiezen voor de laatste twee.

„Zeeleeuwen zijn gemakkelijker. De verzorging van een zeeotter vergt veel meer tijd, energie en ervaring. Je moet lang met ze omgaan om hun gedrag te herkennen – eens in de twee jaar ga ik ook naar een zeeottercongres in Seattle. Het zou zonde zijn als ik die ervaring opeens teniet doe. Ze moeten je leren vertrouwen. Een zebra maakt het niet uit wie hem verzorgt, een otter wel. Toen Maré recentelijk ziek was en onder narcose moest, liet ze zich gewillig door mij in een kooitje stoppen.”

Buiten in hun met rotsblokken afgezette bassin, waar het water niet warmer is dan twaalf graden, drijven Maré (8) en Micas (5) tevreden op hun rug, zich onbewust van het feit dat ze een zeldzaamheid zijn. Er leven in Europa slechts drie andere soortgenoten: in het aquarium van Lissabon en de dierentuin te Antwerpen. Hun verzorging is kostbaar en arbeidsintensief, veel dierentuinen beginnen er niet aan, zegt Dennis Blomjous (35). De kans otters te verzorgen is dan ook vrij uniek realiseert hij zich. Collega Martin Heuvelink, die een zak ijs komt brengen, valt hem bij: „Als je eenmaal met otters hebt gewerkt, is dat een besmettelijk virus waar je niet meer vanaf komt. Met de eerste otters hier was ik heel close. Als ik een rotdag had en bij ze ging zitten, fleurde ik helemaal op.”

De otters krijgen het ijs als tussendoortje nadat ze kort daarvoor al zijn getrakteerd op schar. Veel eten is van levensbelang, stelt Blomjous: een otter heeft een hoog metabolisme, door veel te verteren houdt hij zijn lichaamstemperatuur in orde. Gretig kraken Micas en Maré het ijs tussen hun kaken. Ze grijpen de brokken met hun voorpootjes en slaan ze met kracht stuk tegen de glaswand waarachter het publiek geamuseerd toekijkt. Ook speeltjes in het otterbad worden grondig op hun duurzaamheid getest: ze bijten in een harde plastic slang, duwen basketballen onder water en als plotseling Heuvelinks brillenkoker naar beneden valt, is dat een onverwachte attractie die ze elkaar proberen af te pakken om er eens flink hun tanden in te kunnen zetten.

„Ze hebben een roofdierengebit. Als het er op aankomt, zijn ze gevaarlijker dan zeeleeuwen, die bluffen alleen erg”, aldus Blomjous. „Zeeleeuwen zijn geschikter voor kunstjes dan otters. Otters zijn eigenzinnig, ze zien er het nut niet van in, al kun je ze wel trainen dingen op te duiken. Een voorwerp van de bodem halen heeft logica voor ze, dat doen ze zelf ook. De schelpen die ze opduiken stoppen ze in een huidplooi, een soort buideltje onder hun voorpoten. Er is ontdekt dat ze óf links- óf rechtsbuidelig zijn. Micas kan onberekenbaar zijn, maar Maré is erg rustig. Haar kan ik makkelijker aanraken, al gebeurt het zelden omdat we hands off verzorgen.”

Wat zeeotters onderscheidt van de meeste andere dieren is hun vermogen gereedschap te gebruiken. Schelpen slaan ze kapot op een steen die ze op hun borst leggen. Hoe praktisch zo’n drijvend tafeltje is, blijkt als ze even later een uit de viskeuken van Blijdorp afkomstige maaltijd van scheermessen, strandkrabbetjes en inktvis geserveerd krijgen. De schelpen worden erop verzameld en een voor een opengebroken. Een enkele keer pakken Micas en Maré iets van hun eigen tafeltje en leggen dat in een altruïstisch gebaar op het tafeltje van de ander.

„Het zijn twee zusjes, alleen weten ze dat niet. Ze zijn een paar jaar na elkaar in Lissabon geboren. Toen ze elkaar hier zagen, vonden ze elkaar meteen heel lief. Om vijf uur, als ze hebben gegeten, liggen ze vaak in het water met de handjes in elkaar gekruist te slapen. Ook in de natuur hebben vrouwtjes een sterke sociale samenhang, ze leven veel in grote groepen. Mannetjes samen gaat moeilijker, je ziet dan ook dat ze op een gegeven moment een vrijgezellentocht maken.”

Om groei van het zeeotterbestand in Europa te bevorderen werkt het Oceanium in Blijdorp, met de dierentuinen in Lissabon en Antwerpen, mee aan een fokprogramma. De eerste zeeotter die in 1995 naar Rotterdam kwam – en inmiddels in Antwerpen verblijft – heette Chuluugi. Hij was een voor de kust van Alaska aangetroffen vondeling die met de hand werd grootgebracht, evenals het tweede weesje Eyak dat hem een jaar later gezelschap kwam houden. De hoop was dat de twee mannetjes voor nageslacht zouden gaan zorgen, maar hun kennismaking met de vrouwtjes bleef beperkt tot een beet in de neus – ze bleken niet te snappen wat ze moesten doen, vertelt Blomjous. „Dingen die ze in hun ontwikkeling hebben gemist, doordat ze een bepaalde periode niet bij hun moeder waren, zijn niet meer bij te leren. Hun gedrag is een kwestie van inprenting.”

„Chuluugi kregen we aangeboden door US Fish and Wildlife Service, een organisatie die verantwoordelijk is voor alles wat in Noord-Amerika met vis en wildlife te maken heeft. Tegenwoordig is het veel moeilijker een zeeotter uit Amerika te halen. De eisen van de Animal Welfare Act zijn heel streng. De populatie is veel bejaagd. Toen dat aan banden werd gelegd, ging het een tijd beter, maar nu is er in sommige gebieden een teruggang van tachtig procent zonder dat duidelijk is hoe dat komt. De zeeotter geldt als bedreigde diersoort. Toch hopen we dat we nog een mannetje kunnen krijgen waarmee succesvol is gefokt in Seattle. We zijn al een tijd bezig met vergunningen, als het meezit komt hij in oktober.”

Hij heeft zeeotter Eyak indertijd met de fles grootgebracht. Het was een enerverende periode waarbij meerdere verzorgers elkaar moesten aflossen: „Een jonge zeeotter is hulpeloos, hij heeft vierentwintig uur per etmaal verzorging nodig. Bijna heel zijn leven brengt hij in het water door, maar de eerste maanden kan hij nog niet zwemmen, alleen drijven gaat vanzelf. Hij ligt op de buik van zijn moeder; als hij wil drinken moet hij zich omdraaien want de tepels zitten tussen de achterpoten.

„Eyak lag op een waterbed, dat wiebelt net zo als de buik van de moeder en op gezette tijden deden we hem in het water. Als we hem even alleen lieten, gaven we hem speeltjes, anders ging hij zich vervelen en gilde hij als een baby. In de natuur worden ze de eerste drie maanden door hun moeder verzorgd, als zij weggaat om te eten blèren ze net zo. Het gaat ook niet zachtzinnig, ze duwt het jong zo van zich af.”

Een pup, zegt hij, is heel fluffy. Maar ook volwassen exemplaren hebben een benijdenswaardige pelsjas die ze al poetsend en rondwentelend in het water voortdurend onderhouden. „Otters hebben op één vierkante centimeter honderdveertigduizend haartjes, dat is evenveel als op een hele herdershond. Als ze droog zijn, zijn het net pluchen beesten. Om hun vacht schoon te houden blazen ze er steeds lucht in. Als de moeder dat bij een jong doet, gaat ze in een vaste volgorde te werk: van plekje a naar plekje z. Maar als dat niet goed gebeurt doordat ze gestoord wordt, wordt de vacht slecht. In de natuur gaat het ook wel eens mis, in gevangenschap probeer je er alles aan te doen om dat te voorkomen.”

Micas en Maré duikelen en draaien lustig in hun bad. Zodra Dennis Blomjous zich naar hen toebuigt, strekken ze hun nek en kijken vier kraaloogjes hem oplettend aan. „Tuttebollen zijn het”, zegt hij vertederd. „Als Eyak mijn hoofd zag tussen alle andere mensen, reageerde hij altijd direct. Vorig jaar is hij doodgegaan nadat hij plotseling verlamd was. Ik heb al veel dieren verloren, maar nooit heeft het me zo geraakt als toen hij stierf. Je moet een soort afstand bewaren, bedenken dat het niet jouw dieren zijn. Maar er ontstaat vanzelf een band en dan merk je dat het toch dichtbij komt. Ze veranderen je emoties. Het is een groot voorrecht dat ik dit werk mag doen.”