Strijd in Midden-Oosten bewijst het failliet van de koude oorlog tegen de moslimdemocraten

De Arabische bevolking heeft geen ontzag voor de heersende regimes. Gematigde moslims zijn de meest waarschijnlijke kandidaten voor de opbouw van het nieuwe, op democratie gestoelde Midden-Oosten.

Hoogleraar sociologie aan de American University in Kairo en prominent mensenrechtenactivist.

President Bush en zijn minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice spreken misschien wel terecht van de geboorte van een nieuw Midden-Oosten. Met hun steun aan het optreden van hun naaste bondgenoot ter plaatse, Israël, helpen ze dit in elk geval mede ter wereld. Maar het zal niet echt het kindje worden waar ze naar verlangden. Ten eerste zal het niet seculier worden en niet aardig tegen de Verenigde Staten zijn. Ten tweede zal het een zware bevalling worden.

De gebeurtenissen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika kunnen worden beschouwd als een boemerangeffect dat sinds de verschrikkingen van 11 september 2001 gaandeweg is opgetreden. Meteen na deze aanslagen leefde de hele wereld met de Verenigde Staten mee en was er steun voor de ‘oorlog tegen het terrorisme’, met inbegrip van de inval in Afghanistan. Maar daarna bevestigde de oorlog met Irak de cynische uitbuiting van deze universele goodwill door de zogeheten neoconservatieven in hun streven naar hegemonie.

De onwaarheden van de regering-Bush over ‘massavernietigingswapens’ gingen ten koste van de geloofwaardigheid die de Verenigde Staten als bevrijder mogelijk nog hadden, terwijl de conventionele militaire overwinning in Irak na de inval werd verspeeld door rampzalig bestuur. Het land verviel in bloedig sektarisch geweld, terwijl bestuurlijk Washington obstructie voerde en weigerde fouten te erkennen. Geen wonder dat de wereld zich steeds meer heeft gekeerd tegen Amerika.

President Bush wist dit verval van zijn moreel gezag enigszins te stuiten in het eerste jaar van zijn tweede ambtstermijn. Hij verschoof de retoriek van zijn buitenlandbeleid van een ‘oorlog tegen het terrorisme’ naar een oorlog van denkbeelden en een strijd voor vrijheid en democratie. Het leek in 2005 geruime tijd of het Midden-Oosten dan toch eindelijk zijn langverwachte vrijheidslente zou beleven. In Libanon kwam de Ceder-revolutie, uitgelokt door de moord op de geliefde oud-premier Rafik Hariri. In Egypte vond de eerste presidentsverkiezing plaats in 50 jaar met meer dan één kandidaat. In Palestina en Irak gebeurde hetzelfde, ondanks de zware omstandigheden van een bezetting. Qatar en Bahrein aan de Arabische Golf vervolgden hun gestage ontwikkeling naar een constitutionele monarchie. Zelfs Saoedi-Arabië hield zijn eerste gemeenteverkiezingen. Maar dat was nog niet alles. Hamas wierf kandidaten en voerde campagne onder de bevolking om bij de Palestijnse parlementsverkiezingen een meerderheid te behalen en een nieuwe regering te vormen. Eenzelfde verkiezingssucces werd behaald door Hezbollah in Libanon en de Moslimbroederschap in Egypte.

Deze ontwikkelingen leidden tot een kilte in Washington en andere westerse hoofdsteden. In plaats van deze gekozen functionarissen welkom te heten in de nieuwe democratische familie, begon Washington juist een koude oorlog tegen de moslimdemocraten. Zelfs de halfhartige druk tot democratisering die de Verenigde Staten in 2005 op hun autocratische bondgenoten uitoefenden, was in 2006 nagenoeg verdwenen. Wankelende Arabische autocraten zagen zelfs weer nieuwe levenskansen nu het Westen zich liet afschrikken door de opkomst van een islamitische politieke macht. Inmiddels is de koude oorlog tegen de radicale moslims geëscaleerd tot een oorlog waarin geschoten wordt – eerst op Hamas in Gaza en daarna op Hezbollah in Libanon. Israël wordt, terecht of niet, gezien als de behartiger van de Amerikaanse belangen in het gebied. Sommigen zullen toegeven dat Israël aanleiding had om Hamas en Hezbollah aan te pakken na de ontvoering van drie soldaten en de aanvallen op leger- en burgerdoelen. Maar de verwoesting van Libanon met een wraakzuchtige overkill is moreel ontoelaatbaar en politiek niet te rechtvaardigen – en zal ook niet doeltreffend zijn.

Op 30 juli steeg de woede van Arabieren, moslims en de wereld als geheel tot ongekende hoogte na de Israëlische beschieting van een huizenblok in het Libanese dorp Qana, waarbij tientallen doden en veel gewonden onder de burgerbevolking vielen, vooral kinderen. Eenzelfde slachting in Qana in 1996, die de Arabieren zich nog pijnlijk goed herinneren, bleek de politieke ondergang te worden van de toenmalige premier Shimon Peres.

Het is nog te vroeg om te voorspellen of premier Ehud Olmert Qana-II en de recente oorlog zal overleven. Maar Hezbollah zal blijven voortbestaan, zoals het al vijf Israëlische premiers en drie Amerikaanse presidenten heeft overleefd. Hezbollah, ontstaan in 1982 in het gewoel van een eerdere Israëlische inval, is tegelijkertijd een verzetsbeweging tegen een buitenlandse bezetting, een sociale dienstverlener aan de behoeftigen op het zuidelijke platteland en in de krottenwijken van Beiroet, en een rolmodel in de politiek van Libanon en het Midden-Oosten. Ondanks de beschikking over miljoenen dollars – van binnenuit en van de regionale bondgenoten Syrië en Iran – hebben de drie opeenvolgende leiders een beeld gecreëerd van fatsoenlijk bestuur en een vrome persoonlijke levensstijl. In meer dan vier weken strijd tegen het sterkste leger in het gebied heeft Hezbollah zich staande weten te houden en de bewondering van miljoenen Arabieren en moslims afgedwongen. De bevolking ter plaatse heeft deze standvastigheid vergeleken met de snelle nederlaag van de drie grote Arabische legers in de Zesdaagse Oorlog van 1967.

Hassan Nasrallah, de huidige leider, heeft meermaals tot een breed publiek gesproken, niet alleen via zijn eigen zender al-Manar maar ook via het populaire al-Jazeera. In mijn eigen land Egypte ligt de naam Nasrallah inmiddels op ieders lip. Volgens de voorlopige uitkomsten van een opiniepeiling onder 1.700 Egyptenaren, onlangs gehouden door het Ibn Khaldun-centrum in Caïro, oogst het optreden van Hezbollah bijval van 75 procent van de ondervraagden en staat Nasrallah boven aan een lijst van 30 publieke figuren gerangschikt naar hun belang in het gebied. Hij wordt genoemd in 82 procent van de reacties, gevolgd door de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad (73 procent), Khaled Meshal van Hamas (60 procent), Osama bin Laden (52 procent) en Mohammed Mahdi Akef van de Egyptische Moslimbroederschap (45 procent). Het patroon is duidelijk, en het is een islamitisch patroon. Onder de weinige seculiere publieke figuren die de toptien hebben gehaald zijn de Palestijn Marwan Barghouti (31 procent) en de Egyptenaar Ayman Nour (29 procent), allebei ‘gewetensgevangene’, respectievelijk in een Israëlische en een Egyptische gevangenis.

Geen van de huidige Arabische staatshoofden heeft deze toptien gehaald. Er zullen in de toekomst ongetwijfeld verschuivingen optreden, maar deze uitslag lijkt aan te geven in welke richting het gebied zich beweegt. De Arabische bevolking heeft geen ontzag voor de heersende regimes en ervaart deze als autocratisch, corrupt en onbekwaam. In het gunstigste geval staat ze ambivalent tegenover radicale moslims van het type Bin Laden.

De meest waarschijnlijke kandidaten voor de opbouw van het nieuwe Midden-Oosten zijn de gematigden, die brede steun genieten en meer gericht zijn op de burger en de publieke dienstverlening. In feite zijn zij al werkzaam via de Partij van de Rechtvaardigheid en Ontwikkeling in Turkije, de gelijknamige partij in Marokko, de Moslimbroederschap in Egypte, Hamas in Palestina en ja, ook Hezbollah in Libanon. Deze groeperingen, partijen en bewegingen staan niet vijandig tegenover democratie. Ze hebben ingestemd met democratische spelregels en aan verkiezingen meegedaan, vermoedelijk te goed naar de zin van Washington.

Of we het leuk vinden of niet, dit zijn de feiten. De rest van de westerse wereld moet de nieuwe werkelijkheid onder ogen zien, ook als de Amerikaanse president en zijn minister van Buitenlandse Zaken het nieuwe kind dat uit hun politiek wordt geboren niet wensen te erkennen.