‘Sint Maarten kan beter zijn eigen fouten maken’

Minister Nicolaï keerde gisteren terug van een kennismakingsbezoek aan de Nederlandse Antillen en Aruba. Op Sint Maarten waren de verwachtingen hooggespannen.

In de heuvels boven de Sint Maartense hoofdstad Philipsburg schudden lokale politici, vakbondsleiders en zakenlieden de hand van minister Atzo Nicolaï (Koninkrijksrelaties, VVD). Het is zondagavond, in de ambtswoning van de vertegenwoordiger van Nederland op Sint Maarten is een buffet klaargezet.

„Het is iedere keer maar weer afwachten met die Nederlandse ministers”, mompelt een van de aanwezigen. Nicolaï bezocht deze week voor het eerst officieel Aruba en de vijf eilanden van de Nederlandse Antillen. Op Sint Maarten, met een bevolking van 45.000, waren de verwachtingen het hoogst gespannen. Het eiland vervult een voortrekkersrol in het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen.

Als het aan de eilanden ligt, moet het Antilliaanse staatsverband in 2007 worden opgeheven. Curaçao en Sint Maarten kozen in referenda voor een status aparte, zoals Aruba sinds 1986 heeft. Bonaire, Saba en Sint Eustatius opteerden voor een directe band met Nederland – om zo onder de dominantie van Curaçao uit te komen. De volksraadpleging op Sint Maarten, in juni 2000, was het startschot voor deze ontwikkelingen.

„Het duurt wel erg lang”, zegt Sint Maartenaar Patrick, „maar ik weet zeker dat we onze aparte status uiteindelijk krijgen.” Patrick runt een autoverhuurbedrijf nabij de Sint Maartense luchthaven. Hij doet goede zaken. Sinds de jaren zestig kent Sint Maarten, in tegenstelling tot zustereiland Curaçao, een onstuimige economische groei. De toeristenindustrie toverde Sint Maarten in enkele decennia om van een stil, noodlijdend, visserseiland tot een druk, dichtbevolkt vakantieparadijs.

Langs de weg van het vliegveld naar Philipsburg staat het vol met restaurants en hotels, veelal van buitenlandse eigenaren. De gemiddelde Sint Maartenaar is niet rijk geworden van de economische boom. Patrick: „Onze bevolking verwacht in ruil voor hun stem nog steeds gunsten van politici.”

Patrick vindt het paternalistisch dat Nederland voorwaarden stelt aan overheidsfinanciën, rechtshandhaving en deugdelijkheid van bestuur alvorens een oplossing te bieden voor de Antilliaanse staatsschuld van 2,4 miljard euro én goedkeuring aan een status aparte te geven. „Nederland moet weer eens haar arrogantie laten blijken”, zegt de autoverhuurder. „Het zou beter zijn als de bevolking zelf over die voorwaarden kan beslissen. Onze politici zijn misschien nog niet klaar voor de nieuwe verantwoordelijkheden, maar Sint Maarten kan beter haar eigen fouten maken dan dat Nederland alles voor ons regelt.”

Patrick ziet de status aparte, ofwel de status van autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden, louter als opmaat naar een complete onafhankelijkheid – mogelijk samen met het Franse deel van het eiland. Hij is niet de enige. Volgens een recente opiniepeiling is 52 procent van de bevolking voor onafhankelijkheid.

Joseph Lake Jr., politicoloog en een van de kopstukken van de Sint Maartense onafhankelijkheidsbeweging, ziet de uitslag van de opiniepeiling als een bevestiging voor de groeiende steun voor onafhankelijkheid. Tijdens een staatkundig referendum in 1994 stemde 6 procent van de Sint Maartenaren voor complete autonomie, in 2000 was dat 14 procent.

„Als de status aparte volgend jaar juli geen feit is, en er zijn nogal wat twijfels of die datum haalbaar is, moet er een nieuw referendum worden gehouden”, zegt Lake op de redactie van zijn weekblad St. Martin Republic. „Daarna zou het eiland heel snel onafhankelijk kunnen worden.”

De Nederlandse regering raadt de onafhankelijke status niet aan, maar zou er wel aan meewerken als het volk ervoor kiest. „Mochten de Nederlandse politici toch moeilijk doen”, zegt Lake, „dan kunnen we altijd gaan lobbyen bij het Nederlandse volk. Opiniepeilingen hebben uitgewezen dat zij het liefst van de Antillen afwillen.”

Ook de politiek leider van het eiland, Sarah Wescot-Williams, ziet status aparte als een stap naar volledige onafhankelijkheid. „Op de lange termijn is dat onvermijdelijk”, zegt de politica. Dat Sint Maarten, in tegenstelling tot de andere Antilliaanse eilanden, een snelgroeiende onafhankelijkheidsbeweging kent, verbaast haar niet. „Wij hebben altijd zelf oplossingen gezocht voor de situatie waarin we ons bevonden.”

Nabij de oever van Sint Maarten’s Grote Zoutmeer, tegenover Philipsburg, huist het archeologische centrum Simarc. Archeoloog en antropoloog Jay Haviser, sinds 1982 in Antilliaanse overheidsdienst, coördineert er nu een jaar een opleiding voor jongeren. Haviser bespeurt op Sint Maarten een grote drang tot natievorming.

„Dat uit zich bewust in de voortrekkersrol in de staatkundige veranderingen”, zegt de antropoloog. „Maar onbewust steekt Sint Maarten, om nationale trots en identiteit te kweken, meer energie in conservatie en educatie. In de Sint Maartense cultuur zit een enorm vertrouwen in de toekomst, daarom hebben ze van alle zes eilanden ook de meeste kans op succes als beginnend autonoom land.”

Daar denkt de PvdA anders over. In het verleden heeft vooral deze partij zorgen geuit over een status aparte voor Sint Maarten, dat in het verleden twee keer door Nederland onder curatele werd gesteld. Nicolaï houdt zich echter aan de lijn die is ingezet door het vorige kabinet. Hij hoopt in oktober een akkoord met de eilanden te sluiten over de Nederlandse voorwaarden voor het oplossen van de Antilliaanse staatschuld.

„In de staatkundige discussie wordt het spel stevig gespeeld op Sint Maarten”, aldus Nicolaï. „Dat vind ik niet erg. Wat dat betreft hebben Sint Maarten en mijn partij misschien nog wel gezamenlijke belangen in de komende verkiezingen in Nederland.”