Plussers

1358

Aan alles merk je dat de grote vakantie bijna voorbij is. De gezichten van de politici aan wie je een paar maanden geen seconde had gedacht, komen opeens weer op de televisie. Een paar van wie je je herinnert dat ze een nieuwe partij hadden opgericht, gaan weer een nieuwe partij oprichten. Oude onopgeloste vraagstukken worden gereanimeerd. Van alles en nog wat zal binnenkort weer keihard worden aangepakt. Zo wordt het nu eenmaal genoemd. De Nederlandse verhoudingen zijn niet geschikt om iets keihard aan te pakken, tenzij het om een watersnood gaat. Dat hindert niets, het gaat om het woord. Keihard! Het gaat ook weer keihard regenen. Maar ik schrijf hier geen politieke of weerkundige stukjes en daarom ga ik er niet verder op in.

Wat hier volgt is van algemene strekking. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werden de mensen bevangen door een ongekend optimisme, wat de geboortegolf van 1946 tot gevolg had. Babyboomers noemen we nu de oudjes die toen geboren werden. In 1957 werd de Algemene Ouderdomswet ingevoerd. Afgezien van wat iemand verder nog van zijn bedrijf aan pensioen zou krijgen, werd hem op zijn 65ste voortaan door de staat AOW uitgekeerd. Dr. Willem Drees sr. vond dat de toestanden door de crisis van de jaren dertig nooit mochten terugkeren. Het bijverschijnsel was dat voortaan iemand op zijn 65ste een AOW’er en daarmee definitief oud was. Hij moest gaan vissen, achter de geraniums zitten. Veel mensen vonden dat fijn. Daarna hebben we nog de vut gekregen, de Vervroegde Uittreding waartoe je verplicht was als je 62 was geworden. Om plaats te maken voor jongeren die ook wilden werken.

Hoe het zich daarna allemaal ontwikkeld heeft, dat slaan we nu over. Kort gezegd: er komen steeds meer ouderen en de aanwas van jongeren stagneert. Nu ontwaakt de nationale angst, dat de zorg voor de oude sukkels straks onbetaalbaar zal worden voor de aanstormende generaties. De ouderen moeten langer gaan werken en meebetalen aan hun eigen AOW. Dat zijn de ideeën in ontwikkeling. Over een paar maanden hebben we de verkiezingen. Er komt nog geen verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, want daarvoor is een meerderheid van de kiezers (veel aanstaande oudjes) niet te porren. Maar wel is de kloof tussen de generaties dieper en breder geworden, wat door het meningsverschil over de AOW wordt geaccentueerd.

Heel, heel vroeger had je een stichting ‘Het leven begint bij de veertig’. Mensen die deze fatale leeftijd zagen naderen, moesten niet in zak en as zitten. Deze stichting zou hen daarbij helpen. Daarna hebben we lange tijd niets van stigmatisering door leeftijd gehoord. In de jaren negentig van de vorige eeuw kon iedereen alleen maar rijker worden. In dezelfde periode beleefden we de opkomst van internet, mobieltjes, iPod, digitale camera’s, de hele nieuwe elektronische cultuur. En rijk of niet, als je ouder dan veertig of vijftig was, werd er van je verwacht dat je deze communicatierevolutie niet meer kon bijsloffen.

Omstreeks dezelfde tijd ontdekten ondernemingslustige mensen een nieuw gat in de markt: de rijke plussers. Toen is ook voor deze stervelingen weer een nieuwe tijd begonnen. Ik herinner me een filmpje op de Amerikaanse televisie over een zeereis naar Antarctica, waar je dan op het achterdek van het schip zelf kon barbecuen. Opgetogen plussers die tussen de ijsbergen zelf hun brokjes vlees aan pennen boven een eigengemaakt vuurtje roosterden. Je moet wel een volstrekt geschifte plusser zijn om dat leuk te vinden, dacht ik. Maar ik had me vergist. Plusser zijn is een specialisme geworden, een beroep met ook in Nederland een vakblad. ‘Gooi het woew om!’ roept iemand in een radioreclame tegen de plussers. Een wereldreis is het minste. Guh-nie-tuh!

Geen wonder dat de vijftig- en veertigminners zich beginnen te verzetten. Onder de jongeren verspreidt zich de overtuiging dat de oudjes van hun belastingcenten op de golfbaan de gebraden haan uithangen. Het verholen mengsel van minachting en verzet dringt ook door in het spraakgebruik. Als babyboomer Jan iets verdienstelijks heeft gedaan en daarmee in de krant komt, staat er: Jan, inmiddels alweer 61, heeft, enz. Wat betekent ‘inmiddels’? Dat, terwijl je zelf niet goed hebt opgelet, er iets anders is gebeurd waar je van opkijkt. En ‘alweer’: dat hetzelfde nog eens gebeurt. Jan is maar één keer 61, maar met inmiddels alweer wil de spreker laten merken dat het hem licht onaangenaam verbaast dat Jan niet alleen blijft leven maar zelfs al doende iets opmerkelijks heeft verricht.

Werkt Jan nog? Wat bedoel je met nog? Hij werkt altijd, hij zal het blijven doen tot zijn laatste snik, hij wil nooit gaan barbecuen in Antarctica of golfen.

Heel, heel lang geleden kwamen in de Amerikaanse prairie twee jonge Indianen elkaar tegen. ‘Hoe is het inmiddels met de oude Winnetou?’ vraagt de ene. ‘Aha!’ zegt de andere. ‘Die scalpeert nog zonder bril.’

De generatiekloof. Jong wil oud laten meebetalen aan de AOW, maar kent zichzelf tegelijkertijd een vergunning tot het tersluiks afzeiken van de oudjes toe. Het gaat vanzelf over als ze ontdekken dat ze zelf inmiddels alweer plussers zijn geworden.