Pijnlijke gevoelens

Wie agressief reageert op sociale uitsluiting, versterkt dat isolement nog. Toch we kunnen het niet laten om zo te reageren op sociale pijn, want bij fysieke pijn werkt het wél. Ellen de Bruin

Wie zich in de steek gelaten voelt – afgewezen door een geliefde, genegeerd op het werk, gepest, uit de groep gezet – wordt daar niet vriendelijk van. Mensen reageren eerder onverschillig op zoiets, of afstandelijk, of zelfs agressief. Niet alleen tegen degenen die hen gekwetst hebben, maar in het algemeen.

Heel begrijpelijk, op zich. Maar van een afstand bekeken is het een vreemde reactie. De mens is een sociaal dier dat anderen nodig heeft; daarom is het zo verschrikkelijk als die anderen je niet moeten. Maar agressie en afstandelijkheid vergroten nou niet echt je kansen om alsnog liefdevol te worden bejegend.

Hoe heeft zo’n onwerkzame reactie kunnen ontstaan? Psychologen beginnen dat nu te begrijpen: het systeem waarmee we emotionele pijn waarnemen en verwerken, is geënt op het evolutionair gezien oudere systeem voor fysieke pijn. Afgewezen mensen zijn volgens deze theorie letterlijk gekwetst: hun pijnsysteem is actief. Dáárom gaan ze stil in een hoekje zitten of bijten ze als gewonde dieren om zich heen. Is dat bij fysieke pijn nog een zinvolle reactie, bij emotionele pijn is dat zeer de vraag. Volgens de Amerikaanse psycholoog Mark Leary zit de maatschappij dankzij door emotionele pijn veroorzaakte agressie opgescheept met verschijnselen als huiselijk geweld, high school shootings en misschien zelfs terrorisme (zie kader).

De nieuwste onderzoeksresultaten die de pijn-op-pijntheorie ondersteunen, staan in het julinummer van Journal of Personality and Social Psychology (JPSP). Roy Baumeister en Nathan de Wall van Florida State University vertelden een deel van hun proefpersonen (studenten) na een persoonlijkheidstest dat ze het type waren dat uiteindelijk alleen achterblijft in het leven. Je hebt misschien nu wel vrienden, zei de onderzoeksleider, maar na je studietijd verdwijnen die geleidelijk uit je leven, en zodra je voorbij de leeftijd bent dat mensen voortdurend nieuwe vrienden maken, breng je meer en meer tijd alleen door. Misschien trouw je een keer, misschien meerdere keren, maar die huwelijken houden niet lang stand.

De studenten reageerden als verdoofd. Hun pijndrempel ging omhoog en ze verdroegen pijn langer dan eerst. In de controlegroepen, die te horen hadden gekregen dat ze later waarschijnlijk vaak ongelukken zouden krijgen en in het ziekenhuis zouden belanden, of die geen feedback kregen op hun persoonlijkheidstest, veranderden de deelnemers in pijngrens noch pijntolerantie. Sociale uitsluiting veroorzaakt échte, emotionele pijn, concludeerden de onderzoekers, en dat heeft hetzelfde effect als wanneer iemand plotseling heel ernstig fysiek gewond raakt – het lichaam zorgt ervoor dat je dat even niet zo hevig voelt.

geluksvogels

Dat sociale uitsluiting ‘pijnlijk’ is, was natuurlijk al langer bekend. Er is veel onderzoek naar gedaan, en de ‘future alone-manipulatie’ is zeker niet de enige akelige onderzoeksmethode waarmee psychologen hun proefpersonen buitensluiten. Andere manieren lijken meer op ‘als laatste gekozen worden bij gym’. Mensen krijgen bijvoorbeeld te horen dat niemand anders van de proefpersonen met hen wil werken (de geluksvogels in de controlegroep worden zogenaamd juist door iederéén uitgekozen). Of er ligt een bal in de onderzoeksruimte, en daar gaan drie proefpersonen een beetje mee over en weer gooien voordat de onderzoeksleider eraan komt. Alleen horen twee van de drie eigenlijk bij het onderzoek, en na korte tijd betrekken ze de derde, de enige échte proefpersoon niet meer bij het spelletje.

Dan zie je dat zo iemand eerst probeert toch mee te doen, vertelde Jean Twenge (van San Diego State University en gespecialiseerd in afwijzing) enige tijd geleden bij een bezoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Maar als het niet lukt, gaat hij of zij stil in een hoekje zitten, een beetje in een tas rommelen of zo. Van dit wrede spelletje bestaat ook een virtuele variant, met dezelfde nare werking.

Bij dit type onderzoek mogen de proefpersonen overigens pas weg als ze gezegd hebben dat ze begrijpen dat de afwijzing in het onderzoek niets met hen persoonlijk te maken had, en de onderzoeksleider moet volgens het protocol zijn excuses aanbieden voor het bedrog. Twenge geeft proefpersonen het telefoonnummer van een psychologische hulpdienst mee, maar volgens haar heeft geen van hen dat ooit gebruikt. “We zijn heel voorzichtig”, bevestigt Roy Baumeister desgevraagd per e-mail. Hij acht het zeer onwaarschijnlijk dat het onderzoek de proefpersonen blijvende schade berokkent: “Deze laboratoriummanipulaties zijn veel zwakker dan afwijzingen in het echte leven, en de meeste mensen kunnen daar al vrij goed mee omgaan. De effecten van dit soort experimenten zijn vrijwel altijd zeer tijdelijk.” Maar die effecten zijn er wel, en ze zijn heel duidelijk.

‘Je zou verwachten en hopen’, zo schrijven De Wall en Baumeister in hun JPSP-artikel, ‘dat mensen die uitgesloten worden daarop constructief zouden reageren, bijvoorbeeld door hun best doen om sociaal aantrekkelijker te worden of om beter voor zichzelf te zorgen. Maar het omgekeerde is vaak het geval.’

Om te beginnen worden mensen dus agressief van afwijzing, zo toonden Twenge en Baumeister in 2001 al aan, in een reeks onderzoeken gepubliceerd onder de titel If You Can’t Join Them, Beat Them. In een van de experimenten grepen deelnemers bijvoorbeeld met beide handen de kans aan om een willekeurige andere proefpersoon, die niets met de afwijzing te maken had gehad, een paar vervelende, lange en luide stoten witte ruis toe te dienen door een koptelefoon. (Die andere proefpersoon bestond niet echt.)

Voor zichzelf zijn mensen die zich afgewezen voelen ook niet aardig. Twenge en Baumeister lieten zien dat die mensen geneigd zijn tot zelfdestructief gedrag: ze nemen meer risico’s en eten ongezonder. In een experiment dat als smaakonderzoek gepresenteerd was, aten ze bijvoorbeeld twee keer zoveel chocolate chip cookies als de sociaal omarmde, ‘door iedereen gekozen’ controlegroep. De psychologen vergelijken dit in hun artikel met het voorbeeld van een dik, impopulair meisje dat zich troost door een hele kwarktaart op te eten, waarna ze zich nog meer zorgen maakt of ze er ooit bij zal horen. En van een jongen die dronken naar huis rijdt en een ongeluk krijgt nadat zijn vrienden hem op een feestje hebben buitengesloten.

In het algemeen, zeggen Twenge en Baumeister, tast sociale uitsluiting het zelfcontrolesysteem aan. Afgewezen mensen blijken bijvoorbeeld ook langer door te gaan met leuke dingen doen terwijl er werk ligt dat af moet, ze stoppen sneller met vervelend werk en kunnen zich minder goed concentreren.

Het gekke is dat in veruit de meeste van deze experimenten geen verschillen worden gevonden in hoe de proefpersonen zich zeggen te voelen, ongeacht of ze hun stemming nu aangeven op één ‘1 = ik voel me heel slecht / 7 =ik voel me heel goed’-vraag, of op een aantal meer uitgesplitste stemmings- of gevoelsvragenlijstjes. De afgewezen proefpersonen lijken zich dus niet slechter te voelen dan de proefpersonen in de controlegroep.

zelfmoordpoging

Hun toestand doet Twenge en Baumeister denken aan wat wel de deconstructed state wordt genoemd, waarin mensen verkeren die sterk suïcidaal zijn. In tegenstelling tot wat wel gedacht wordt, voelen mensen zich niet extreem ongelukkig vlak voordat ze een zelfmoordpoging doen, maar eerder vlak, verdoofd. Ze zijn traag en lethargisch, en hun tijdsperceptie is veranderd – de tijd lijkt ook heel traag te gaan voor hen, alsof ze zich in een toestand van tegengestelde ‘flow’ bevinden. Al die kenmerken, toonden Twenge en Baumeister aan, komen eveneens voor bij mensen die zich afgewezen en buitengesloten voelen. Die vonden hun leven ook vaker zinloos en wilden zelfs aan zichzelf ontsnappen: bij één onderzoek gingen ze zelden op een stoel zitten waar een spiegel tegenover hing.

Sociale verbondenheid, ‘erbij horen’ is essentieel voor mensen. Het is misschien wel de meest fundamentele menselijke behoefte, met de meest verstrekkende gevolgen voor hoe mensen zich gedragen, schreef Baumeister in 1995 in een overzichtsartikel in Psychological Bulletin, samen met collega Mark Leary. Dat idee was toen al niet helemaal nieuw, maar Baumeister en Leary zetten wel voor het eerst grondig op een rijtje hoe allesdoordringend deze need to belong was.

Mensen hechten zich bijvoorbeeld al aan anderen als ze die toevallig vaak zien (en ook als het eerst tegenstanders waren), hebben allerlei rituelen rondom afscheid, vinden het moeilijk om zelfs vervelende relaties te verbreken, en zelfs introverte, verlegen mensen doen op hun manier hun best in contact te komen met anderen – ze glimlachen bijvoorbeeld veel. Mensen hebben frequent prettig contact nodig met anderen, concludeerden Baumeister en Leary, en dat ingebed in de wederzijdse bereidheid om op de een of andere manier op langere termijn voor elkaar zorgen. En die behoefte is waarschijnlijk aangeboren; de mens is nu eenmaal een sociale diersoort.

Als iets hun sociale verbondenheid bedreigt, kunnen mensen dan ook reageren met een urgentie alsof hun leven in gevaar is, schreef Mark Leary (samen met een andere collega, Geoff MacDonald) vorig jaar in Psychological Bulletin. En in zekere zin is sociale uitsluiting ook levensgevaarlijk. Baby’s overleven in hun eentje niet, maar eenzame oudere kinderen en volwassenen met weinig sociale contacten hebben tevens een zwakker immuunsysteem, worden sneller geestelijk of lichamelijk ziek, krijgen vaker verkeersongelukken en plegen vaker zelfmoord.

Tegen iemand zeggen dat hij of zij beoordeeld zal worden door anderen, levert de enige vorm van stress op die acuut de cortisolniveaus verhoogt. Ook blijkt uit onderzoek dat alleen al bij het denken aan gescheiden te worden van een geliefde, gedachten aan de dood mee-geactiveerd worden. Het idee dat mensen je afwijzen, wordt dus waargenomen en verwerkt als levensbedreigend.

systeem

Dat komt doordat sociale en fysieke pijn zo nauw verwant zijn, schrijven de psychologen. Op het moment in de evolutie dat sociale dieren aanpassingsmechanismen moesten ontwikkelen om met afwijzing te leren omgaan, bestond er al een systeem voor fysieke pijn. Het nieuwe systeem voor sociale pijn werd volgens MacDonald en Leary gebaseerd op een deel van dat fysieke pijnsysteem, zodat de natuur niet iets heel nieuws hoefde te ontwikkelen.

De ervaring van lichamelijke pijn bestaat uit twee componenten: een informatief neuraal signaal dat aangeeft hoe groot de weefselschade is, en een vervelend gevoel dat ervoor zorgt dat het dier in kwestie de aanleiding van de pijn in het vervolg leert te vermijden. Die tweede component zou op het eerste gezicht ook moeiteloos kunnen functioneren in situaties die sociaal pijnlijk zijn, als waarschuwingssysteem. Als iedereen zich van je afwendt telkens wanneer je in het openbaar uit je neus eet, bijvoorbeeld, laat je dat op den duur wel uit je hoofd.

In de loop van de evolutionaire geschiedenis, aldus MacDonald en Leary, hebben mensen geleerd dat niet alleen fysieke afstand maar ook afgewende gezichten of bepaalde blikken bij de ander afwijzing kunnen betekenen. Gevoelens van afwijzing, eenzaamheid, schaamte, schuld en jaloezie waarschuwen dat er iets niet goed zit.

De psychologen sommen in hun overzichtsartikel allerlei aanwijzingen op voor de relatie tussen fysieke en sociale pijn. Om te beginnen is het opvallend dat de terminologie voor fysieke en sociale pijn in allerlei talen overlapt. Mensen zijn niet alleen gekwetst in het Nederlands en hebben niet slechts hurt feelings in het Engels; er bestaan vergelijkbare woorden en uitdrukkingen in de meest uiteenlopende talen, van Hebreeuws tot Spaans en van Bhutanees tot Inuktitut. Veel van de uitdrukkingen voor sociale pijn zouden, als je ze letterlijk zou nemen, hevige fysieke pijn veroorzaken: een gebroken hart, een klap in het gezicht, je verpletterd voelen.

Verder wijzen de psychologen erop dat fysieke aanraking aan de basis ligt van psychologische gehechtheid of attachment. Het idee is dat de relatie die een heel jong kind met zijn ouders heeft in zekere zin een blauwdruk is voor de intieme relaties in zijn latere leven. In hoeverre iemand zich op zijn gemak voelt met intimiteit, zou onder meer te maken hebben met de mate van liefde, afstandelijkheid, consistentie en dominantie waarmee de ouders hem of haar als baby aanraakten. Fysiek afstandelijke ouders creëren tot op zekere hoogte psychisch afstandelijke kinderen. Als je ouders je liefdevol hebben aangeraakt toen je jong was, kan dat je dus op latere leeftijd tegen psychische pijn beschermen.

Mensen reageren ook vergelijkbaar op fysieke en op sociale pijn. Ze kunnen van beide soorten op nauwelijks te onderscheiden manier introvert, depressief, of agressief worden. Soms worden (met name oudere) patiënten als depressief gediagnosticeerd, terwijl ze in feite chronisch pijn lijden. Fysieke troost (knuffelen, een arm om je heen) helpt bij sociale pijn (afwijzing, verbroken relaties). Omgekeerd helpt sociale troost ook tegen fysieke pijn. Zieke of gewonde mensen geven in onderzoek aan dat ze minder pijn hebben, naarmate ze zich meer gesteund voelen door vrienden en familie. Ook rapporteren getrouwde zieken minder pijn dan alleenstaanden – behalve mensen die huwelijksproblemen hebben, die verdragen pijn juist minder goed. Waarschijnlijk is hier ook een verband met het immuunsysteem: bij mensen die veel ruzie maken, genezen wondjes bijvoorbeeld langzamer.

pijndrempel

En, zoals Baumeister en De Wall onlangs aantoonden, sociale pijn kan een vergelijkbaar verdovend effect hebben als intense fysieke pijn. Zo’n effect was al eerder in dieronderzoek gevonden: rattenjonkies die bij hun moeder waren weggehaald, hielden het langer vol op een hete metalen plaat. Voor mensen zijn psychologen over het algemeen aardiger. Baumeister en De Wall gebruikten in hun onderzoek een zogeheten algometer, een apparaatje waarmee ze een steeds groter wordende druk uitoefenden op de spier in (in dit geval) een wijsvingerkootje. De proefpersonen moesten ‘nu’ zeggen als het pijn begon te doen en ‘stop’ als de pijn niet meer draaglijk was. Als mensen dachten dat ze eenzaam zouden worden, zagen de psychologen, schoot hun pijndrempel en -tolerantie omhoog.

Het effect bleek zich uit te strekken naar emotionele verdoving. Net als in eerdere studies zeiden de afgewezen proefpersonen zich niet slechter te voelen dan de controlegroep, maar dat had nog kunnen komen doordat ze niet willen toegeven dat ze zich slecht voelen. Baumeister en De Wall tonen nu voor het eerst aan dat afgewezen proefpersonen echt minder voelen: ze werden ook vlakker in het invoelen van emoties bij anderen en in het voorspellen van hun eigen emoties over langere tijd. Dat suggereert dat ze echt emotioneel verdoofd waren.

Het is overigens niet waarschijnlijk dat die verdoving lang aanhoudt; het is een paniekreactie. Op de lange termijn blijken mensen die erg gevoelig zijn voor afwijzing juist minder pijn te kunnen verdragen. Dit zijn overigens vaak mensen die hun eigen afwijzing creëren. Ze zijn geneigd zich afstandelijk te gedragen, vertellen bijvoorbeeld weinig over zichzelf, en verminderen daarmee de kans dat ze geaccepteerd worden. Daar worden ze dan weer afstandelijker van – een zichzelf zelfversterkend effect. En dat is dan weer volledig vergelijkbaar met iets wat mensen met lichamelijke klachten soms doen. Ze vermijden oefeningen die pijnlijk zouden kunnen zijn, en gaan vervolgens veel sneller achteruit.

Vermijden helpt niet, om je heen bijten ook niet echt – al met al lijkt de meest functionele pijnreactie nog te zijn om je pijn maar gewoon gelaten te ondergaan, ongeacht of het nu fysieke of sociale pijn is.