Ook ik had een martelaar voor Allah kunnen worden

Het is, in je hoofd, niet eens zo’n grote stap, martelaar worden voor de islam. Toen schrijfster Naema Tahir als ontheemde puber klem zat tussen Pakistan, Engeland en Nederland, lokte het gastvrije hemelse paradijs heel wat meer dan het verwarrende leven als immigrant.

Naema Tahir

Auteur van de roman ‘Een moslima ontsluiert’. Jurist, eerder werkzaam op verschillende Nederlandse ministeries, bij het Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg en in Nigeria voor de VN-Vluchtelingenorganisatie.

Ooit wilde ik als martelaar sterven. Zo moeilijk ik het vind om mijn verhaal te delen, zo belangrijk is het om het toch te doen. Mensen vragen zich verbijsterd af hoe moslimmigranten tot zulke excessieve zelfmoordacties in staat zijn. En, meestal onuitgesproken maar nog beangstigender, of er dan niet in elke moslimmigrant een terrorist schuilt. Hoe ver reikt het gevoel van verbondenheid met de jongeren die zichzelf opblazen als ultieme daad van verzet tegen het ongelovige Westen?

Telkens als de wind van terrorisme door Londen waait en Brits-Pakistaanse jongeren hun antiwesterse sentimenten uiten, word ik door menig journalist opgevoerd als ‘expert’ op dit gebied. Ik hoor me kennelijk verbonden te voelen met jongeren die geweld gebruiken in naam van een islamitische traditie, daar ik hun religieuze, etnische en migrantenachtergrond deel. En ja, die verbondenheid is er wel degelijk. Niet met de totalitaire suïcidale acties van die jongeren; maar ook ik heb als jonge vrouw wel het overtuigde verlangen gekoesterd om als martelaar te kunnen sterven.

De voedingsbodem van die verbondenheid is de pijn van ontheemding en uitsluiting, zo beklemmend dat het obsessieve verlangen ontstaat om de al dan niet verbeelde gemarginaliseerde positie in het Westen op te geven. Sommige jongeren, vervreemd van zichzelf en van de wereld rondom hen, dichten zichzelf de kwaliteiten toe van verheven wereldredders en kijken reikhalzend uit naar de beloning in het hemelse paradijs die hen wordt voorgespiegeld.

Ooit wilde ik ook naar het paradijs.

Ik ben in 1970 geboren in Londen, als Brits-Pakistaanse moslim, dochter van enigszins verlichte en goed opgeleide ouders die in de jaren zestig vanuit Pakistan naar Groot-Brittannië migreerden, in de naïeve hoop dat ze daar het aardse paradijs zouden vinden. Ze realiseerden zich niet hoe deze grote opwindende stap, snel genomen, hen blijvend zou plagen met een gevoel van verlies, het verlies van het thuisland.

Mijn ouders werkten beiden aan de lopende band. Ze wilden de nieuwste radio kopen, wat geld sparen, daarna zouden ze terugkeren. Wat mijn moeder na enkele jaren ook deed. Samen met mijn zus en mij, ik was een baby nog, verhuisde ze terug naar Pakistan. Om een paar jaar later terug te keren naar Engeland en zich bij mijn vader te voegen, een zuiver economische beslissing uiteraard.

Dit keer besloten ze om zich echt te vestigen in Engeland. Mijn vader werkte als postbeambte voor de Royal Mail, mijn moeder werd huisvrouw. Ze leerden autorijden, kochten een huis en kregen zes kinderen. Welwillend poogden ze te integreren, maar echt aarden wilden ze niet. Ze voelden zich niet erkend als volwaardige burgers. Ze voelden zich behandeld als gelukzoekers uit een voormalig Britse kolonie, geminacht omdat ze veel kinderen hadden, gekrenkt omdat hun punjabi-accent werd geridiculiseerd, ook al was dat maar ‘om te lachen’. Toen mijn vader in functie slachtoffer werd van gewelddadig racisme – een bloederige knokpartij op straat – was dat het ideale excuus om het ‘racistische’ Engeland van Margaret Thatcher te verlaten, een land waar de dreigkreet ‘Paki go home’ gewoon her en der op de muren gekalkt stond.

Het gezin migreerde naar Nederland. Zomaar. Nederland zag er wel aardig uit. Schoon, met de langste komkommers en de rijkste boter. In Nederland zeiden de buren dag tegen je op straat. In Nederland zouden ze zich thuis voelen. Ik was tien toen ik naar Nederland verhuisde. Ik had een taalachterstand, net als al mijn broers en zussen, net als mijn ouders. Maar dat probleem konden we oplossen. Dat we ons ook hier out of place voelden, was veel verontrustender. In Nederland bleken we plots ‘allochtonen’ te zijn. Mijn ouders integreerden wel, maar bleven dromen van een definitieve terugkeer, naar het échte paradijs op aarde, het heilige land, zoals Pakistan ooit letterlijk heette. Alleen daar zouden we gelukkig kunnen zijn.

We keerden ook terug, naar het streng islamitische Pakistan van de militaire dictator Zia ul Haq. Om enkele jaren later andermaal met zijn allen terug te gaan Nederland. Alweer om economische redenen natuurlijk. Een dure grap, remigratie.

Ik was vijftien toen ik terugkeerde naar Nederland. Het was mijn vijfde migratie. Voor de zoveelste keer begon ik opnieuw. Ik zat op een geheel witte middelbare school in Etten-Leur, de enige moslim in de hele bovenbouw. Mijn taal- en leerachterstand bleek nog pijnlijker nu ik ruim een jaar ouder was dan al mijn klasgenoten. Na twee jaar gesegregeerd onderwijs in het islamitische Pakistan beschikte ik ook niet meer over de nodige omgangsvormen om in een gemengde klas mezelf te zijn. Ik was verlegen en bang voor jongens, wat in moslimkringen een deugd heet te zijn. Ik wilde een hoofddoek dragen om mijn mensenschuwheid vorm te geven maar gelukkig was dat toen nog geen modetrend. Ik leerde met gemak noch betrokkenheid. De Nederlandse taal had geen betrekking op mij als Brits-Pakistaanse. De Europese geschiedenis leek alleen mijn inferioriteit te willen bevestigen: ‘een kind onder de evenaar is meestal maar een bedelaar’.

Ik vond dat de klas mij niet begreep, terwijl ik alles moest doen om de klas te begrijpen, opdat ik er deel van mocht uitmaken. Wat me natuurlijk maar niet lukte. Thuis werden de teugels immers nog strakker aangespannen. Ik ben opgevoed als een streng islamitisch meisje. Ik mocht niet doen wat andere pubers deden, uitgaan, bijbaantje, op bezoek bij klasgenoten thuis. Ik raakte geïsoleerd, eenzaam. Ik viel uit de boot. Ik werd een verwarde puber.

De verwarring sloeg algauw om in verscheuring. Met gemengde en tegenstrijdige gevoelens over de zoektocht naar het paradijs op aarde. Ik was boos op mijn ontheemde ouders die mij wortelloos maakten, die geen autoriteit toonden jegens hun verwarring, geen controle hadden over hun levens. Ik kreeg de twijfels die iedere puber kent maar kon ze niet delen met de rest van de klas, die ‘anders’ was. Wie ben ik eigenlijk, vroeg ik me af. Brits? Nederlands? Pakistaans? Moslim, en zo ja: hoe? Lichtjes verlicht zoals mijn ouders of als een ‘ware’ orthodoxe gelovige?

Olivier Roy (schrijver, onderzoeker en islamkenner) schrijft dat ontheemding kan resulteren in een profilering van strikt religieuze kenmerken. Ik ken die ontwikkeling. Het gevoel van ontheemding was bij mij zo sterk dat ik die leemte alleen kon vullen met iets groters, iets overrompelends, iets universeels, iets wat ervoor zorgde dat ik geen pijnlijke introspectie hoefde te verrichten, iets waaraan ik mij kon overgeven, iets wat alle twijfel uitbande, iets wat mij ongekende rust en trots gaf.

In die projectie, zoals vele moslimjongeren die vooropstellen, geloofde ik dat alleen mijn ‘moslim zijn’ een absoluut karakter kon hebben. Islam kent geen grenzen, geen nationaliteiten, geen ras. Iedereen is gelijk in de ogen van Allah, althans, min of meer. Allah accepteert je zoals je bent, mits je je maar volledig aan Allah overgeeft. Toen ik dat deed, wist ik mijn verwarring volledig te bezweren. Ik hoefde niet meer na te denken. In de islam vond ik een gemakzuchtige rust, een makkelijk houvast, simpele erkenning en blinde acceptatie. Bovenal voelde ik me uitverkoren, belangrijker dan de rest, een gewaarwording die ik voorheen nooit had gekend. Het was een zalig, vervullend, zingevend en uplifting gevoel dat me uit de marge haalde waarin ik dacht te zitten verkommeren. Plots kreeg ik een verheven positie.

Ik hoefde niet langer, zoals mijn ouders, naar het aards paradijs te zoeken. Dat bestond gewoon niet. Het ware paradijs, het echte leven, situeerde zich in het hiernamaals. Het leven op aarde was tijdelijk en diende alleen maar om een plek in de hemel te veroveren. Dat werd het uiteindelijke doel. Als migrant geboren en getogen in het Westen voelde ik me hier toch verbannen en koesterde ik het naïeve verlangen om terug te keren naar een plek waar ik met open armen ontvangen zou worden. En dat was niet langer het land van herkomst van mijn ouders, ook niet meer mijn migratieland, maar het hemelse paradijs. Daar was ik thuis. Nergens anders zou ik ooit thuis zijn.

Mijn gehele puberteit was ik zeloot religieus, populair gezegd een ‘fundi’, al was die term mij toen onbekend. Als orthodoxe moslim nodigde ik de geest van de Profeet Mohammed uit om in mij te huizen. Ik at hem, ademde hem, probeerde zijn leven na te doen. Ik wilde leven en sterven voor de islam. En dat kon. Mijn wens zou in vervulling gaan in het Pakistaanse leger. Ik dacht toen met opperste bewondering over mijn held van die tijd, Rashid Minhas Shahied, de bekendste moderne martelaar uit de oorlog van het islamitische Pakistan tegen het niet-islamitische India in 1971. Hij gaf zijn leven om Pakistan, en dus islam, te redden uit de klauwen van ongelovigen. Dat wilde ik ook, als martelaar sterven. Het was in die dagen mijn grootste wens om mijn leven te geven voor islam. Om door de poort van het paradijs te gaan en herinnerd te worden als Naema Tahir Shahied, de Martelaar.

Die wens is niet in vervulling gegaan. Praktisch niet realiseerbaar. Ik zat klem. Ik kon mijn wensen niet vervullen, mijn dromen niet waarmaken. Gelukkig was ik nieuwsgierig, werd ik omringd door scholieren die gingen studeren, en gelukkig behaalde ik mijn diploma. Ik besloot rechten te studeren. Ik had behoefte aan regels die orde schepten in mijn hoofd, zoals ook islamitische regels orde scheppen. Ik stelde mezelf een nieuw doel: als ‘moslimadvocaat’ zou ik goede werken verrichten in een islamitisch land, Pakistan uiteraard.

Op mijn twintigste verliet ik het ouderlijk huis en ging in Leiden studeren. Ik woonde er in een meidenhuis. Het was een harde confrontatie. Zonder streng religieus te leven, konden deze meiden toch gelukkig zijn, en bovenal succesvol. Ze hadden controle over hun eigen bestaan. Zij hadden geen opperwezen nodig om dingen te bereiken. Daar stond ik dan, met mijn koraantje in de hand, lonkend naar de hemelse wolken, alle plezieren van het leven schuwend, een gereserveerde, afstandelijke, verlegen vrouw, die zich nergens op haar plaats voelde, die naar een kracht buiten zichzelf zocht als excuus om verder te komen. En die zich realiseerde dat ze maar niet verder kwam in het leven. Ik besefte dat ik altijd gemarginaliseerd zou worden als ik me inkapselde in de beperkingen van een religie. Die pijn van inferioriteit hoefde ik niet meer. Ik wilde niet achterblijven terwijl iedereen mij voorbijstak.

Ik bevrijdde me van de mythe van het hiernamaals. Het hemelse paradijs werd voor mij een farce, een excuus om je bestaan niet in te richten, om geen introspectie te voeren, om de pijnlijke vragen die in je woelen niet te confronteren. Het is makkelijk om je te verliezen in een mythische, magische religie. Veel moeilijker bleek het om je leven in eigen handen te nemen. Ik wilde die uitdaging aangaan. Ik wilde wat die meiden hadden. Lachend en nieuwsgierig door het leven gaan, de regie over je eigen leven in handen houden, in het nu leven. Heerlijk, helder, hier en nu.

Succes leek alleen mogelijk door Nederland te bestempelen als mijn moederland. Mijn enige moederland.

Maar die gedachte moest mij net zo overrompelen als een religie dat deed. Ze moest even overheersend zijn. Alleen zo zou ik de twijfels dat ik niet thuishoorde in Nederland kunnen overwinnen. Ik cultiveerde een bijna obsessieve drang om niet te mislukken, om niet te verdwijnen in de periferie als een eeuwig zoekende migrant. Ik ontwikkelde strategieën om geaccepteerd te worden, om succes te boeken, om erkend te worden als een van ‘ons’ en niet als een van ‘hen’: migranten, ‘zwarten’, ‘Paki’s’, ‘achterlijke allochtonen’.

Ik studeerde hard, mat mezelf een elitair accent aan, werkte in het blankste van alle beroepen en deed afstand van alles wat naar traditie rook. Ik wilde mezelf en de westerling behagen met de eretitel van geslaagde migrant, iemand die zich perfect geassimileerd heeft en door de blanke geaccepteerd wordt als volwaardig gelijke, als Nederlander.

In dat proces, hoe raar dat ook klinkt, stierf ik inwendig, werd ik, om de cirkel rond te maken, martelaar. Ik ontdeed me van die culturele eigenschappen die me belemmerden om volledig Nederlander te zijn. Ik brak los uit verstikkende tradities, raakte vervreemd van mijn geboortegemeenschap van Pakistaanse moslims, ontvoogd van mijn vader en moeder, die mijn proces van Verlichting niet begrepen of accepteerden.

En wat gebeurde er toen? Ik ervoer dat gelijkheid tussen allochtonen en autochtonen, zoals gelijkheid tussen man een vrouw, een waanidee is. Omdat je net niet hetzelfde gereedschap hebt als de dominante groep. Je kán nooit volledig Nederlander worden. Het aardse paradijs bestaat niet. De perfect gelijkwaardige maatschappij is even imaginair als het hemelse paradijs met de 72 maagden waar zelote islamjongeren tot stervens toe naar verlangen.

Veel allochtonen denken dat ze enkel de westerling moeten behagen. Sommigen gebruiken dit als smoes om niet te hoeven presteren, of raken gefrustreerd om wat ze menen dat van hen wordt verwacht.

Maar zijn we hier niet juist om relaties aan te knopen met die westerling, met iedereen? En moet je daarvoor jezelf niet eerst leren kennen, bewust worden, naar jezelf durven kijken?

Langzaam leerde ik dat er een derde laag bestaat, los van het heilige en het profane paradijs: zelfbewustzijn. Alleen daar kan je jezelf vinden. Wat in een bepaald opzicht veel lastiger is dan je te verliezen in een religie of in het idee-fixe dat je hier bent om het de westerling naar de zin te maken. Je zelfbewustzijn kent geen zekerheden, geen vastigheden. Niet iedereen kan de stap aan om dat complexe zelfbewustzijn te exploreren. Daarin schuilt de persoonlijke tragedie van de moslimterrorist. En ik ken die tragedie uit mijn eigen ervaring. Daarom voel ik mij verbonden met de pijn van jongeren die als martelaar willen sterven. Ook ik, martelaar.