Moluks nestgevoel

Als enige minderheid beschikken de Nederlandse Molukkers over eigen woonwijken. Hoe lang nog? De politiek is tegen, de jongeren trekken weg. Het ligt zeer gevoelig. „Als je de wijken weghaalt, raak je de Molukkers in hun ziel.”

Integreren, assimileren – het zijn woorden waar hij niet van houdt. Hij is géén goed geïntegreerde Molukse Nederlander met een sterke worteling in de Molukse cultuur. „In Nederland wordt altijd alles in vakjes verdeeld.” Hij is Anis de Jong, 53, een acteur-regisseur die zijn jeugd doorbracht in de Zeeuwse duinen. Donderdag gaat op het Zeeland Nazomerfestival de nieuwste productie van zijn Amsterdamse Theatergroep Delta in première, een voorstelling op locatie over een opstand in het voormalige Ambonezenkamp Westkapelle in de jaren vijftig.

De eerste jaren van zijn leven bracht Anis de Jong ook door in zo’n kamp, Havendorp bij Vlissingen. Er waren barakken, prikkeldraad en een Nederlandse beheerder. Hij heeft er goede herinneringen aan. „Voor een kind was de beslotenheid van het kamp prachtig. Een happening, een feest. Ik herinner me het prikkeldraad. Maar daar kroop je gewoon onderdoor.”

In 1961 ging het kamp dicht en verhuisde het gezin naar de nieuwe Molukse woonwijk verderop. Acht jaar later had zijn vader het daar gezien. De verdeeldheid onder de Molukkers werd steeds groter. In plaats van één kerk waren er wel vijf of zes ontstaan. Hij kon bij Hoogovens gaan werken en besloot in Noord-Holland tussen de Nederlanders te gaan wonen. „Voor ons kinderen was het pijnlijk om uit de wijk weg te gaan”, zegt Anis de Jong. „Maar achteraf gezien was het een moedige daad van mijn vader. Een stap uit het nest. Ik heb er veel profijt van gehad. Buiten de wijk heb je een veel groter gevoel van vrijheid.” Toch komt hij nog graag in Havendorp, bij vrienden en familie of via het theater. „Ik heb daar een prachtige tijd gehad. Het gevoel van de wijk heb ik altijd meegedragen.”

De Molukkers zijn de enige Nederlandse minderheid die over eigen ‘woonconcentraties’ beschikt (zie kader). Hoewel meer dan de helft van de Molukkers nu buiten deze wijken woont, bestaan ze nog steeds. De vraag is voor hoe lang. Zijn de Molukkers na 55 jaar in Nederland niet voldoende ingeburgerd om ze op te geven? Toen minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD) vorig jaar een Molukse wijk bezocht, gaf ze te kennen dat ook Nederlanders voor de vrijkomende huizen in aanmerking zouden moeten komen. Ook CDA, PvdA en D66 vinden dat de Molukse wijken op termijn moeten worden opengesteld voor iedereen.

Maar de politiek kan dat niet afdwingen. Het rijk heeft de Molukse wijken eind jaren tachtig overgedragen aan gemeenten en woningcorporaties. „In sommige gevallen is afgesproken dat de wijk Moluks zou blijven”, zegt Wim Manuhutu, directeur van het Moluks Historisch Museum in Utrecht. „Een soort gentleman’s agreement.” De Molukkers zijn dat niet vergeten. Toen in 2004 een Nederlands gezin een huis kreeg toegewezen in de Molukse wijk van Sittard, leidde dat tot fel protest. Ook in Moordrecht en Wormerveer waren incidenten. Manuhutu: „De corporatie in Sittard heeft uiteindelijk gezegd: ‘Het gaat ons erom dat mensen de huur betalen. Als het de lieve vrede bewaart, gaan die huizen naar Molukkers’.”

„Laat die wijken toch”, zegt Anis de Jong. „Als je ze weghaalt, raak je de Molukkers in hun ziel.” Trouwen met een Nederlander ligt volgens hem vaak minder gevoelig dan een Nederlander in de wijk. „Bij trouwen hoor je bij de familie.” Toch denkt hij dat hij niet was geworden wie hij is als hij ‘in de wijk’ gebleven was. Alleen al omdat hij dan misschien zijn eigen – Molukse – vrouw niet had ontmoet. „Zij komt uit Leerdam. Toen ik haar leerde kennen, was ze geestelijk al veel verder. Ik was nog heel ‘wijks’. Alles simpel, niet te veel discussie. Een beetje macho. Door haar ben ik bij het theater gegaan.”

Tussen de Molukse wijken bestaan grote verschillen. De ene heeft veel contact met de Nederlandse omgeving, de andere veel minder. Grote wijken als die in Assen, Moordrecht en Capelle aan den IJssel hadden lang genoeg aan zichzelf. Aan de andere kant zijn er ‘wijken’ die slechts bestaan uit enkele straten.

Leonor Pattinasarany (56), geboren op Timor, kwam op haar twaalfde terecht in de Molukse wijk van Tiel. „Die lag dichtbij het centrum, je kon gewoon naar de stad lopen.” Ook de sociale controle viel mee. „Toen ik al op mijn zeventiende uit huis ging voor een stage, ging de omgeving niet op mijn ouders inpraten dat dat niet kon. Sommige wijken zijn afgelegen en overgeorganiseerd, met een wijkraad die zegt hoe je moet denken en voelen. Als mijn neef en nicht uit Bovensmilde op bezoek kwamen, vonden ze het vreemd dat je met Nederlanders omging. Bij hen gebeurde dat niet.”

Haar vader kreeg Nederlandse les omdat hij predikant was, haar moeder heeft de taal nooit geleerd. „Ik geloof niet dat ze het gemist heeft. Ze was thuis, zorgde voor de kinderen. Ze keek altijd naar het journaal en The bold and the beautiful. Dat kon ze wel volgen.” Zelf sprak Pattinasarany tot ze naar school ging alleen Maleis. Ze vindt niet dat dat haar op een achterstand heeft gezet. Later had het grote voordelen tweetalig te zijn. „Je begreep wat de oude mensen zeiden en tegelijk sprak je de taal van de wereld erbuiten. Dat geeft een gevoel van macht.”

Leonor Pattinasarany is freelance programmamaker en woont in Utrecht. Ze is ongetrouwd en heeft geen kinderen, voor een Molukse vrouw vrij ongewoon. Ze is nooit meer in Tiel gaan wonen, maar de band met de wijk bleef hecht. Ze ‘kerkt’ er en wordt geregeld benaderd voor vrijwilligerswerk. Molukkers van haar generatie maken soms scherp onderscheid tussen ‘wijkers’ en ‘niet-wijkers’, zegt ze. „In onze vrouwenorganisatie Kelompok is het een hele strijd geweest. Mensen die nooit in de wijk hebben gewoond, denken dat je een beetje achterlijk bent als je uit de wijk komt. Zeker als ze zelf uit de stad komen. En mensen die wel uit de wijk komen zeggen, als het hoog oploopt: ach joh, jullie zijn halve Nederlanders. Dat doet ook pijn.” Allemaal onzin, vindt ze. Je kunt heel goed buiten de wijk gaan wonen en wel van de wijk blijven houden. „Mijn onlangs overleden zus woonde al heel lang in Gorinchem. Maar ze heeft zich in Tiel laten begraven.”

In zijn boek Molukse jongeren in Nederland. Integratie met de rem erop (2001), beschrijft sociaal-econoom Justus Veenman hoe noch de Nederlandse regering, noch de Molukkers zelf aanvankelijk gericht waren op inburgering. Toch voltrok deze zich, sluipenderwijs. „De invloed van de Nederlandse omgeving was blijkbaar onontkoombaar, als water dat door de dijken sijpelt”, schrijft Veenman. De kinderen ondergingen die invloed op school. Een deel van de tweede generatie Molukkers ging noodgedwongen buiten de wijken wonen, omdat er niet genoeg huizen waren en de overheid weigerde de wijken uit te breiden. En veel Molukkers zijn met Nederlanders getrouwd. In 2001 had 40 procent van de Molukse mannen en 25 procent van de Molukse vrouwen een ‘etnisch-gemengd partnerschap’. Onder de jongeren waren deze percentages nog hoger. Bij Turken, Marokkanen en Surinamers bedroegen ze respectievelijk 8, 6 en 31 procent.

Maar uit Veenmans onderzoek bleek ook dat de integratie van de ‘derde generatie’ Molukkers stokte. Op school deden ze het slechter dan de tweede generatie. Van de jongeren die al klaar waren met de middelbare school, had ruim 20 procent geen diploma en ruim de helft alleen mavo of voorbereidend beroepsonderwijs. Het percentage jongeren dat zei meer contact te hebben met Nederlanders dan met Molukkers, was sinds de jaren tachtig gedaald van 27 naar 20. Volgens Veenman had dit deels te maken met teleurstelling over de onverschillige Nederlandse houding ten aanzien van de burgeroorlog op de Molukken (1999-2002).

Of het wonen in Molukse wijken bijdraagt aan de stagnatie, werd niet onderzocht. Wel was duidelijk dat Molukse jongeren in de wijken minder contact hadden met Nederlanders, en dat hun opvattingen over bijvoorbeeld taakverdeling tussen mannen en vrouwen ouderwetser waren.

Veel Molukkers vinden het een historisch recht dat hun wijken blijven bestaan. Toch is er ook in de Molukse gemeenschap discussie over, zegt Wim Manuhutu. „Tien, vijftien jaar geleden werd de wijk nog als een eeuwig gegeven gezien. Nu rijst de vraag hoe het verder zal gaan als de hele eerste generatie is weggevallen. Wat doet dat met de wijk? Wíllen mensen er nog wel wonen? De meeste huizen die vrijkomen, worden snel weer bewoond door jonge gezinnen, maar veel jongeren trekken weg.” Uit onderzoek blijkt dat behalve ouderen vooral laagopgeleide jongeren achterblijven. Maar volgens Manuhutu verschilt dat ook weer per wijk. „In sommige gemeenten zie je veel mensen met banen in de wijk wonen.”

Efraïm Lumalessil (18) woont sinds zijn vijfde in de Molukse wijk van Bovensmilde. Hij spreekt Nederlands met een licht noordelijk accent. Na de mavo is hij naar de havo gegaan, maar die heeft hij niet afgemaakt. Vorig jaar is hij begonnen op de hotelschool in Groningen en dat bevalt goed. Hij wil graag op kamers. Opgroeien in de wijk heeft voor- en nadelen, vertelt hij telefonisch. „Het is prettig dat je overal terecht kunt, alle buren kent. Dat gaat moeilijker in een gewone wijk met Nederlandse mensen. Er zijn ook beperkingen. Vanuit de Molukse maatschappij moet je niet alleen denken aan jezelf, maar ook aan de mensen om je heen. Men verwacht dat je helpt met feesten, de organisatie van een voetbalwedstrijd. Dat is de cultuur, dat kun je niemand kwalijk nemen.”

Hij wil op kamers om zelfstandig te worden, niet om de wijk te ontvluchten. Hij sluit zelfs niet uit dat hij er later terugkeert. Voorlopig trekt de Randstad. „Als ik nu zou verhuizen, zou het zijn omdat ik meer wil netwerken met anderen, Nederlanders. Een Molukker in Nederland kent via familie en feesten al heel veel Molukkers uit andere wijken. Dat is niet nieuw meer.” Hij heeft vrienden van Nederlandse en andere afkomst, maar de meeste zijn toch Moluks, zegt hij. „Molukse vrienden denken hetzelfde als jij. Als we met Molukkers ergens gaan zitten en een drankje pakken, betalen we voor elkaar, daar ga je vanuit. Met Nederlanders is het meer ieder voor zich. Je moet je enigszins aanpassen.”

De meeste Nederlandse Molukkers zijn opgegroeid met het idee dat ze ooit voorgoed naar Ambon gaan, niet onder Indonesisch bewind, maar naar een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS). In de familie van Leonor Pattinasarany is dat ideaal geleidelijk op de achtergrond geraakt, hoewel de heimwee van haar ouders altijd bleef. Zelf heeft ze zich laten naturaliseren, wat veel Molukkers volgens haar „uit principe” nog steeds niet hebben gedaan. Cijfers hierover ontbreken. „Om te kunnen reizen, zijn we in 1976 wel bij wet gelijkgesteld aan Nederlanders”, zegt ze. „Je kon toen een paspoort krijgen met een speciale aantekening op pagina 5.” Die regeling geldt nog steeds. Molukkers met zo’n paspoort kunnen zich nu zonder inburgeringstoets laten naturaliseren. „Bij ons thuis was daar altijd discussie over. Als we ons laten naturaliseren, hoe moet je dan nog strijden voor je onafhankelijkheid. Ik dacht: ik woon in Nederland, ik doe wat mij het beste uitkomt.”

Pattinasarany reisde in 1990 voor het eerst naar het dorp Ameth op het eiland Nusalaut, waar haar ouders vandaan kwamen. Het voelde als thuiskomen. „Je groeit op met een land dat politiek en geografisch onbereikbaar is. Waar je alleen maar naar kunt verlangen. Dan kom je aan in een tropisch eilandenrijk. Je vaart langs al die eilanden waar je van hebt gehoord. Mensen omhelzen je, huilen, iedereen komt op het dek met jou praten. Op het strand staat je hele familie al met witte zakdoeken te wuiven. Het was eb, wij waadden door het water naar mijn eiland toe. Dan denk je: ik hoor hier gewoon.”

Ze keerde nog vaak terug. Tijdens de burgeroorlog maakte ze opnames die werden uitgezonden op de Nederlandse televisie. Ze bezocht vluchtelingenkampen, richtte met een aantal andere vrouwen een stichting op voor kindsoldaten en een tehuis voor oorlogswezen.

Hoewel hij van de derde generatie is, werd ook Efraïm Lumalessil sterk beïnvloed door het ideaal van de terugkeer. Voor zijn geboorte, in 1977, was zijn oom een van de zes gijzelnemers die het leven verloren bij de treinkaping bij De Punt. Radicale Molukse jongeren wilden met die kaping bereiken dat Nederland zich veel harder voor de RMS zou inspannen. Zijn vader was een van de drie gijzelnemers die de kaping overleefden.

Lumalessil zegt dat er thuis veel gepraat werd over politiek, zonder dat het „erin gestampt” werd. Wat betreft zijn eigen denkbeelden is hij „zoekende”. „Het ideaal van onafhankelijkheid en terugkeer, dat was toen. Nu is nu. Toen was het misschien reëel. Ik weet niet of dat nu nog zo is. Ik denk het wel. In Nederland heb je de mogelijkheid om te studeren, die kennis kun je dan daar gebruiken.” Hij is op de Molukken geweest toen hij vijf jaar was. „Ik heb kennisgemaakt met mijn familie, neven en nichten. Ik weet hoe ze leven. We hebben contact. Ik weet dat het een politiek onrustig gebied is, en dat het dus een voorrecht is dat we hier kunnen leven en hen financieel kunnen ondersteunen.”

Efraïm Lumalessil is niet politiek actief, maar hij verdiept zich wel in de Molukse geschiedenis en cultuur. Ook steekt hij veel tijd in de jongerenorganisatie in zijn wijk in Bovensmilde. „Deze zomer is ons thema ‘saamhorigheid’”, zegt hij. „De wijk is bij veel jongeren niet in trek. Ze gaan weg, het merendeel naar Amsterdam. Als ze hun studie af hebben, denk ik niet dat ze nog terugkeren. Het is gezellig in de wijk, maar vroeger was het nog gezelliger.”

De muziektheatervoorstelling ‘De vrouwen van kamp Westkapelle’ is te zien op Industrieterrein Oude Zandweg, Westkapelle (het voormalige kamp) van 31 augustus t/m 2 september en van 5 t/m 9 september. Aanvang 20.30 uur.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Moluks nestgevoel (26 augustus, pagina 35) staat onder een foto dat regisseur Anis de Jong zijn jeugd doorbracht in het kamp Westkapelle . Dit moet zijn: kamp Havendorp. In het artikel staat dat De Jong nog graag in Havendorp komt. Die naam bestaat niet meer. De Molukse wijk die voor kamp Havendorp in de plaats kwam, ligt in de wijk Oost-Souburg in Vlissingen.