Libanees leger kan zelf niet veel doen

Voor het eerst sinds vele jaren zijn in Zuid-Libanon duizenden regeringssoldaten gelegerd. Wat ze er gaan doen is onduidelijk. Niet Hezbollah ontwapenen.

Vier grote vrachtwagens met veldbedden, koelkasten en andere logistieke benodigdheden voor het Libanese leger, staan grommend in de hoofdstraat van Tibnin. De verbrande autowrakken zijn aan de kant geschoven en naast het lokale koffiehuis in dit Zuid-Libanese dorpje liggen tientallen soldaten in de schaduw.

„Die gaan straks door naar Bint Jbeil”, zegt majoor Fawzi Shamoun, terwijl hij toekijkt vanuit zijn kamer in het gevorderde ziekenhuis van Tibnin. Met zijn handen in de zij, opgezwollen spierbundels en gemillimeterd haar is hij een typische soldaat. Verderop, aan de horizon ligt de grens met Israël, voor het koffiehuis staat een jeep met Hezbollahvlaggen. Shamoun en zijn mannen vormen momenteel de enige buffer tussen de Israëlische staat en de fundamentalistisch-shi’itische verzetsbeweging. „Maar het voelt goed om hier te zijn, daar gaat het om”, zegt Shamoun.

Het is een wat verlate aankomst. Het is voor het eerst in dertig jaar dat het Libanese leger in noemenswaardige aantallen het zuiden betreedt. Nadat de Israëlische bezettingstroepen zich in 2000 na 18 jaar terugtrokken uit Zuid-Libanon, nam Hezbollah de zorg voor de veiligheid over. Voor de Libanese overheid betekende die machtsovername dat zoiets simpels als het innen van een elektriciteitsrekening in het gebied vrijwel onmogelijk was.

Daar wordt nu nog niet aan gedacht. Majoor Shamoun wacht met smart op de 13.000 man internationale troepen die volgens VN-resolutie 1701 de VN-vredesmacht UNIFIL moeten komen versterken. „Wij hebben ons aan ons deel van de resolutie gehouden”, zegt Shamoun met een gebaar naar de wachtende soldaten. Er moeten in totaal ook 15.000 Libanese soldaten in het zuiden gestationeerd worden. „Maar zonder internationale steun kunnen we hier niet veel doen.”

Wat de troepen, Libanees én internationaal, precies moeten doen in Zuid-Libanon is onduidelijk. Het ontwapenen van Hezbollah – resolutie 1701 bepaalt dat er zich in Zuid-Libanon ten zuiden van de rivier de Litani geen strijders of wapens mogen bevinden anders dan die van de regering en de VN – zit er volgens majoor Shamoun niet in. „Zie jij hier Hezbollahleden met wapens?”, vraagt hij retorisch. De strijders die deze bergen meer dan een maand verdedigden zijn inderdaad in rook opgegaan. „Hoe kunnen we dan hun wapens afnemen?”

Hoewel de overheid haar macht flink vergroot door troepen in het zuiden te hebben, kleven er ook gevaren aan de aanwezigheid van het leger in het gebied. Libanons minister van Defensie, Elias Murr, liet tijdens een persconferentie weten dat het leger „geen enkele schending” van het staakt-het-vuren zou tolereren. Het zijn harde woorden die in praktijk betekenen dat het Libanese leger Israëlische troepen of Hezbollahstrijders zou kunnen aanvallen als die zich vijandig opstellen.

Amin Gemayel, een Libanese ex-president en leider van de extreemrechtse, christelijke Falangisten, maakt zich grote zorgen daarover, zo vertelt hij telefonisch. „De geweldsinstructie van de Libanese troepen is onduidelijk. Nu is de situatie in het zuiden nog goed, maar dat blijft niet zo”, zegt hij. Als het nationale leger bij geweldsincidenten betrokken raakt, dan is dit geen oorlog tussen Hezbollah en Israël meer maar wordt heel Libanon erbij betrokken, zo vinden veel van zijn partijgenoten, die anti-Hezbollah zijn. „We nemen een groot risico”, vindt Gemayel.

Ook bestaat er onduidelijkheid over de loyaliteit van bepaalde groepen in het leger, dat een „spiegel van de etnische realiteit van Libanon” wordt genoemd. De 17 verschillende religieuze en etnische groepen zijn allemaal evenredig vertegenwoordigd in het leger, dat in totaal 70.000 manschappen telt. Tijdens de Libanese burgeroorlog (1975-1990) viel het leger uiteen in twee kampen, christelijk en islamitisch. In 1992 werd het weer samengevoegd.

Maar brigadegeneraal Salim Abu Ismael (bd) is niet bang voor eventuele opstandige shi’itische soldaten als Hezbollah het staakt-het-vuren zou schenden. „Dat gaat simpelweg niet gebeuren. Hezbollah heeft zich achter het regeringsstandpunt geschaard. De enige mogelijkheid is dat Israël iets doet”, zegt Abu Ismael, die tegenwoordig hoofdredacteur is van het Arabische defensieblad Al-Defiaya.

„Het is belangrijker dat Libanon zware wapens krijgt zodat we een volwaardig leger kunnen worden”, vindt de voormalige brigadegeneraal. Op dit moment is Hezbollah beter bewapend dan het leger. „We hebben niets, geen luchtmacht, geen raketten. Als we nu een oorlog met Israël zouden krijgen, kan ons leger absoluut niet winnen. Daarom hadden we Hezbollah in het verleden nodig om het zuiden te verdedigen.”

Als majoor Shamoun weer in Tibnin achter zijn bureau gaat zitten, wordt hij opgeschrikt door een clusterbom die spontaan ontploft in de straat verderop. „De Israëliërs hebben op de laatste dag van de oorlog nog even gestrooid met die dingen”, klaagt hij. Shamoun was al in het zuiden gelegerd, bij de circa 350 ‘gecombineerde troepen’ van soldaten en politieagenten die van Hezbollah in het gebied mochten zijn.

„Ik heb elf dagen in de slag om Bint Jbeil gezeten, maar geen kogel afgevuurd”, zegt hij. „Dat waren mijn orders niet.” Shamoun is zelf een shi’iet uit Nabatiyeh, de onofficiële Hezbollah-hoofdstad in het zuiden. Maar hij kijkt verbaasd op als hij om zijn loyaliteit wordt gevraagd. „Ik dien al jaren in het leger van dit land, ik luister naar mijn meerderen”, zegt Shamoun. „Bovendien, heel veel mensen in het zuiden zijn heel blij dat we hier eindelijk zijn.”