Kindje toch! Hoe moeders en dochters met elkaar praten

‘Gesprekken tussen moeders en dochters zijn de beste én de slechtste van alle mogelijke gesprekken,’ vertelt taalsociologe Deborah Tannen aan Ellen de Bruin

„Ik heb een vrouw ontmoet”, zegt Deborah Tannen, „die me vertelde: elke keer als ik cola drink, krijg ik pukkels. En vaak als ze bij haar moeder op bezoek kwam, die dat wist, keek die haar aan en vroeg: heb je weer cola gedronken? Die vrouw werd daar wóést om. Ze zei, dan kan ze net zo goed meteen zeggen: hee, puistenkop!” Tannen pakt een bloknootje. „Wacht even, dit moet ik zelf ook even opschrijven”, zegt ze. „Dit voorbeeld kan ik mooi gebruiken in de volgende editie van mijn boek – ik kwam deze vrouw pas tegen toen ik het al af had.”

Deborah Tannen is hoogleraar sociolinguïstiek aan Georgetown University, Washington DC, maar ze is vooral bekend door haar boeken voor het grote publiek. Tien jaar geleden schreef ze That’s Not What I Meant (Dat bedoelde ik niet), over de manier waarop specifiek taalgebruik en allerlei andere communicatiedingetjes tot misverstanden tussen mensen kunnen leiden. De meeste reacties van lezers kreeg ze op het hoofdstuk over relaties, en haar volgende bestseller ging dan ook over communicatieproblemen tussen mannen en vrouwen: You Just Don’t Understand (Je begrijpt me gewoon niet).

Haar nieuwste boek, You’re Wearing That? Understanding Mothers and Daughters in Conversation (Doe je dat écht aan: Hoe moeders en dochters met elkaar praten), staat al een paar maanden in de bestsellerlijst van de New York Times. Het idee voor dit boek kreeg Tannen eigenlijk ook van haar lezers: ze had een (net iets minder succesvol, niet in het Nederlands vertaald) boek geschreven over hoe ouders, kinderen en broers en zussen met elkaar praten als ze allemaal volwassen zijn, en kreeg daarop weer veel brieven met eigen ervaringen, vooral van moeders en dochters. Wat ze schreven kwam bijna altijd op hetzelfde neer. Volwassen dochters klaagden dat hun moeder altijd kritiek op hen had, en heel vaak ging het over hun uiterlijk – als ze bijvoorbeeld gevraagd waren om een lezing te geven of om op tv te komen, begon hun moeder alleen over wat ze aantrokken. En moeders klaagden dat hun volwassen dochters zo gevoelig waren, dat ze níéts konden hebben en alles meteen als kritiek opvatten.

Tannen was onlangs even in Nederland om de vertaling van haar boek te promoten. Ze is zestig jaar, heeft een zacht, meisjesachtig gezicht, een vriendelijke stem en ze werkte in een zaaltje in een hotel aan de Amsterdamse Keizersgracht zonder enig teken van vermoeidheid de ene na de andere interviewer af – er was nog net een time slot over tussen een Belgische kwaliteitskrant en de Libelle. Het is niet alleen maar ellende tussen moeders en dochters, benadrukt Tannen wel meteen. „Mijn boek gaat over de negatieve dingen, over de problemen. Je koopt een boek als dit niet als alles geweldig is.” En er bestaat ook niet alleen tussen moeders en dochters ellende. „Ik denk dat veel moeilijkheden die ik in dit boek beschrijf, opgaan voor relaties in het algemeen. Hoe dichtbij je iemand laat komen zonder dat het overweldigend wordt, bijvoorbeeld.”

PRATEN ALS SOCIALE LIJM

Maar er is wel iets speciaals aan de hand tussen moeders en dochters, vindt Tannen. „Gesprekken tussen moeders en dochters zijn de beste én de slechtste van alle mogelijke gesprekken.”

Dat heeft er om te beginnen mee te maken dat ze allebei vrouw zijn, zegt ze. „Voor meisjes en vrouwen is praten een soort sociale lijm. Ze praten meer met elkaar dan mannen, en meer over persoonlijke dingen. Meisjes zeggen al heel jong dat hun beste vriendin degene is met wie ze over alles kunnen praten. Voor jongetjes is de beste vriend degene met wie ze alles doen, degene die hen helpt als ze problemen hebben.”

Voor mannen heeft praten ook een andere functie dan voor vrouwen, zegt Tannen. „In mijn boek over vrouwen en mannen had ik het over de manier waarop echtgenoten met elkaar praten als ze thuiskomen van hun werk. Vrouwen komen met hele verhalen, vol details, en dan vertelt hun man daarna over zijn dag: ‘o, alles ging wel goed’. En later, als ze bijvoorbeeld met een ander stel aan het eten zijn, begint die man ineens wél uitgebreid te vertellen over iets wat hij heeft meegemaakt. Dan vraagt zijn vrouw zich af: waarom doet-ie dat niet eerder? Maar voor een man is thuis de plek waar hij vrij is om niet te hoeven praten. Als hij problemen heeft op zijn werk, wil hij daar sowieso niet thuis nog een keer doorheen. En aan het woord zijn in gezelschap is voor een man een manier om het centrum van de aandacht te zijn.” Dat gaat dus meer om status dan om bonding.

LEKKER PRATEN OVER NIETS

Voor de meeste vrouwen is praten juist wel een manier om zich intiem met iemand te voelen. Dat is volgens Tannen ook een van de redenen dat moeders en dochters zo eindeloos over details kunnen praten. Een van de vrouwen die ze had gesproken, belde haar moeder dagelijks om te vertellen wat ze tussen de middag had gegeten. Een ander zei: aan wie kan ik anders vertellen dat het toiletpapier in de aanbieding was? Vrouwen praten graag over niets. En daarnaast, weet Tannen, praten vrouwen ook heel graag heel lang over problemen – waar dan niet direct een oplossing voor hoeft te komen, maar wel begrip. ‘Nee, dat herken ik helemaal niet, dat heb ik nooit’ is heel erg de verkeerde reactie, zelfs als het waar is – een vrouw voelt zich dan toch miskend.

Ook voelen vrouwen zich snel buitengesloten als er niet gepraat wordt, zegt Tannen. „Meisjes dreigen meer met uitsluiting dan jongens; ze klitten meer samen, zitten geheimpjes in elkaars oor te fluisteren... Dat doen jongens niet. En moeders zijn gekwetst als hun volwassen dochter hun niet meer alles vertelt.” Verder kunnen moeders vaak jaloers zijn op de speciale band die veel dochters met hun vader hebben, volgens Tannen. Want de moeder is vaak zorgzaam en bezorgd, de probleempratende stresskip van wie jonge meisjes zich afwenden – en de vader is het zorgeloze, grappige speelkameraadje naar wie ze toetrekken. Terwijl de moeders het zo goed bedoelen. „Het heeft iets oneerlijks, maar veel meisjes worden daardoor echte daddy’s girls.”

Met de goede bedoelingen van moeders gaat het wel vaker mis, zegt Tannen. Heel vaak geven ze hun dochters ongevraagd advies. „Het gaat vaak over uiterlijk: haar, kleren en gewicht zijn de top drie, maar moeders becommentariëren bijvoorbeeld ook de make-up en de huid van hun dochters. Een van de vrouwen die ik sprak zei: mijn moeder ziet steeds minder goed, maar ze kan het nog steeds vanaf de andere kant van de kamer zien als ik een pukkel heb. En dan komt ze weer met een of andere crème.”

Het is goed bedoeld, zegt Tannen. De moeders weten dat vrouwen vaak op hun uiterlijk worden beoordeeld. „Vrouwen kijken voortdurend naar andere vrouwen: die zou zich beter kunnen kleden, zij zou er beter uitzien als ze haar haar uit haar ogen deed, of als ze het in laagjes knipte... Maar meestal zeggen ze dat niet tegen elkaar. Moeders denken dat ze het recht hebben om dat soort dingen tegen hun dochters te zeggen, of zelfs de plicht. Ze vinden het hun taak om behulpzaam te zijn, maar behulpzaamheid heeft altijd twee betekenissen. Als je iemand tips geeft suggereer je in zekere zin dat diegene dom is. Hulp houdt kritiek in, want wie alles goed doet, heeft geen hulp nodig.” En dochters vinden het belangrijk wat hun moeder vindt. „Dat maakt het allemaal zo intens.” En, denkt Tannen, voor veel moeders is hun dochter degene die hen representeert in de buitenwereld, een maatstaf om te evalueren hoe goed ze het zelf doen, en dus zijn ze net zo kritisch op hen als ze op zichzelf zouden zijn.

Wat is eigenlijk het wetenschappelijk gehalte van Tannens populaire boeken? Ze onderzoekt bijvoorbeeld niet hoe vaak bepaalde communicatie- en gedragspatronen voorkomen. „Ik kan geen percentages geven, nee. Ik kan hooguit zien waar mensen op reageren.” Maar haar werk staat in een andere wetenschappelijke traditie, zegt ze. „Het is meer antropologisch, wat ik doe, en ook literairder. Mijn methode is om specifieke mensen en hun interacties tot in detail te bestuderen en te interpreteren wat er gebeurt. En als je dat goed doet, herkennen mensen het.”

Haar wetenschappelijke artikelen zijn altijd gebaseerd op uitgeschreven getapete conversaties, zegt ze, maar voor haar boeken voor een groot publiek pakt ze het anders aan. „Ik kijk naar mijn eigen ervaringen en ik zoek mensen die mij voorbeelden uit hun leven vertellen. In de psychologie verlopen zulke interviews meestal volgens een strak stramien, maar bij mij zijn het vrije gesprekken. In dit geval vroeg ik hun bijvoorbeeld wat hun het meest frustreert in de relatie met hun moeder, en wat ze het meest waarderen – en dan praten ze. En in de meeste van mijn boeken voeg ik voorbeelden toe uit toneelstukken en literatuur. Ik ga niet van de methode uit, of van een hypothese; ik wacht af wat er komt. Dat is antropologie.”

Toen ze het boek schreef, vertelt ze, had ze geen idee of wat ze schreef bijvoorbeeld ook voor andere landen zou opgaan. „Maar als ik kijk naar de reacties die ik heb gekregen, kan ik zeggen dat het patroon vrij universeel is. Ik heb bijvoorbeeld een e-mail gekregen van een vrouw uit Guyana, een 35-jarige professor wier moeder maar bleef zeuren dat ze echt een nieuwe jurk moest hebben voor een bepaald huwelijksfeest. Uiteindelijk heeft de dochter de nacht voor het huwelijk een nieuwe jurk voor zichzelf gemaakt. Er zijn dus wel culturele verschillen, wij zouden niet zo snel onze eigen kleren naaien, maar ik denk dat de grote patronen hetzelfde zijn.”

hulp & advies is ook kritiek

Tannen herkende zichzelf ook niet in alles wat haar informanten vertelden. „Niet in de kritiek op het uiterlijk, bijvoorbeeld. Wel in de bemoeizucht. Daar was mijn moeder meedogenloos in, ze hield niet op. Het was haar een doorn in het oog dat ik een groot deel van mijn volwassen leven niet getrouwd was. Dus ging ze me advies geven: je zou dit of dat moeten doen om aan de man te komen. En toen ik haar maar niet meer belde om het onderwerp te vermijden, hoorde ik het wel via mijn zus.” Het werken aan het boek heeft haar geholpen om haar moeder beter te leren begrijpen, zegt Tannen. „Dat ze het niet kritisch bedoelde maar zorgzaam, dat al die aandacht, ook voor details, in feite liefde is... Wie anders ter wereld kan het wat schelen of mijn sokken wel matchen?”

Helaas overleed haar moeder voordat het boek af was. Dochters heeft Tannen niet, dus nu kan ze alleen nog andere moeders en dochters helpen om beter met elkaar te leren omgaan. Dat wil ze graag. „Het is belangrijk dat beide partijen elkaars perspectief begrijpen”, legt ze uit, „en de dubbele betekenis van zorgzaamheid. Moeders zeggen vaak: ik weet nooit waar ze nú weer boos over gaat worden. Maar als ze inzien dat alle hulp of advies óók kritiek is, gaan ze vaak meteen minder zeggen. En dat helpt al. Eén moeder had naar aanleiding van mijn boek besloten om haar dochter ook vaker te prijzen en zelfvertrouwen te geven – en toen begon haar dochter haar ineens weer uit zichzelf te bellen. Die moeder schreef me: dank je wel dat je mijn dochter aan me hebt teruggegeven.”

Deborah Tannen: ‘Doe je dat echt aan. Hoe moeders en dochters met elkaar praten’. Uitgeverij Bert Bakker, 264 blz., € 18,95.