Inning van gemeentelijke belastingen door NV

In een bijdrage op de Opiniepagina van 22 augustus gaan advocaten De Ru en Wildeboer in op een uitlating van mij in deze krant van 10 augustus over de problemen rond de privatisering van de inning van gemeentelijke belastingen. Wij zijn het er uiteraard over eens dat de heffing, d.w.z. de vaststelling van de grondslag en het tarief van de belasting, niet verzelfstandigd kan worden. Maar kan de invordering van belasting ofwel de inning dat wel, zoals de auteurs stellen? Grote bedrijven doen dat toch ook en dat leidt volgens de schrijvers tot kostenbesparing. Maar de overheid is geen bedrijf, hoewel sommigen dat er graag van zouden willen maken. De Gemeentewet stelt in de artikelen 231 en 232 dat de invordering, de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten geschiedt door een ambtenaar zoals dat bij de rijksbelastingen geschiedt door de inspecteur van de belastingdienst. Blijkbaar ziet de wetgever hierin een garantie van onafhankelijkheid en integriteit. Nu kan men dat een ouderwets standpunt vinden, maar zolang de wet niet is veranderd, ligt hier mijns inziens toch een probleem.

Vanuit efficiency- en bezuinigingsnoodzaak kan men over het nut en de opportuniteit van privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten verschillend denken, maar De Ru en Wildeboer gaan in hun enthousiasme wel erg ver wanneer zij stellen dat de gemeente verplicht zou moeten zijn tot uitbesteding wanneer dat goedkoper en effectiever kan. Zij zien in een zuinige overheid zelfs een constitutioneel beginsel. Dat beginsel was mij tot nu toe onbekend.

Het is een bewijs van armoede wanneer bestuurders zelf aangeven dat zij niet in staat zijn overheidsdiensten efficiënt te organiseren. De discussie zal wel weer snel gaan over de vraag of de directeur van de innings-NV meer mag verdienen dan een wethouder of een minister.