Het conservatieve moment is voorbij

Vijf jaar geleden meenden conservatieve denkers dat de tijd rijp was voor een moreel reveil in de politiek. Maar de vorming van een brede conservatieve beweging is mislukt. „Door pure egomanie zijn er alleen verbrokkelde partijen aan de rechterkant gekomen.”

Een zaaltje in de RAI in Amsterdam, gistermiddag. Geert Wilders, Tweede-Kamerlid en oprichter van de Partij voor de Vrijheid, presenteert zijn kandidatenlijst en verkiezingspamflet aan de pers. Wilders wil, zegt hij, de politieke elite aanvallen. Mensen willen strengere straffen, een immigratiestop, lagere belastingen. En vooral willen ze een „terugkeer van het fatsoen” in de samenleving, zegt Wilders.

Tot vorige week was Bart Jan Spruyt de beoogde nummer twee van Wilders’ partij. Hij heeft meegeschreven aan het pamflet. Maar Spruyt is er niet bij. Hij zit thuis, in zijn studeerkamer. Vorige week stapte Spruyt uit de partij.

De Partij voor de Vrijheid was een kans, zegt Spruyt, om een politieke conservatieve stroming op gang te brengen. Begin 2005 begon hij met Wilders te schrijven aan een Onafhankelijkheidsverklaring – met een knipoog naar de Verenigde Staten, waar de conservatieven wél een grote politieke rol spelen. In het geheim schreven ook de Rotterdamse wethouder Marco Pastors (Leefbaar Rotterdam) en Kamerlid Joost Eerdmans (LPF) mee. Het werd even spannend. Zou het door Spruyt en zijn geestverwanten in 2001 beloofde „conservatieve moment” er dan toch komen?

Een maand geleden kwam Spruyt tot de conclusie dat hij een vergissing had begaan. Wilders was geen echte conservatief, zoals hij gehoopt had, meer een „conservatief van het paniekerige soort”. Spruyt heeft er een „belazerd gevoel over”, zegt hij. „Alle samenwerking die tot een brede rechtse beweging had kunnen leiden, is tot nu toe op niets uitgelopen. Ik ben diep teleurgesteld dat er door pure egomanie alleen verbrokkelde partijen aan de rechterkant zijn gekomen.”

Bart Jan Spruyt heeft weer veel tijd om te lezen. Vanmorgen las hij nog eens in de verzamelde brieven van George Washington. Waarom, vroeg de oud-president van de Verenigde Staten zich af, gaan in een democratie veranderingen zo langzaam? Washington wist het antwoord wel. En Spruyt is het daarmee eens, zegt hij, terwijl hij naar voren leunt in zijn stoel. „Washington schreef: mensen zíén wel, maar ze vóélen niet. Daarom gebeurt er nooit iets.”

Spruyt heeft de laatste jaren met zekere regelmaat ogenblikken voorbij zien komen die een nieuwe beweging hadden kunnen markeren. De moord op Theo van Gogh, op 2 november 2004, was zo’n moment. „Iedereen wist: er is iets verschrikkelijks gaande. De Nederlandse politiek wist het niet meer. Het was tijd voor nieuwe antwoorden, die wij, conservatieven, hadden kunnen bieden. Maar het moment was zo weer voorbij. Er kwam een maand later een tsunami en het trotse wij-gevoel was weer helemaal terug.” Zo gingen alle founding moments, zoals Spruyt het noemt, verloren: de moord op Fortuyn, 11 september, de oorlog in Irak.

Als het nieuws geen directe aanleiding voor een omslag bracht, creëerden Spruyt en zijn geestverwanten er zelf een. Op 3 februari 2001 publiceerde NRC Handelsblad een ingezonden stuk van Joshua Livestro (36). ‘Het conservatieve moment is gekomen’, was de kop. Livestro schreef: „In hun beoordeling van het functioneren van de welvaartsstaat hebben Nederlandse wetenschappers en politici over het algemeen weinig aandacht voor de negatieve morele consequenties van het verzorgingsbouwwerk.”

Livestro kan zich het gevoel van die jaren goed voor de geest halen. Hij was destijds speechschrijver van Eurocommissaris en oud-VVD-leider Frits Bolkestein. Een paar jaar daarvoor had hij gewerkt op het partijkantoor van de conservatieve Tories in Engeland. In Nederland viel hem de politieke gezapigheid onder het tweede paarse kabinet op. Hij praatte erover met zijn leermeester, de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging. Op een seminar, waar hij met Frits Bolkestein was, raakte Livestro aan de praat met Paul Cliteur, hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap. Hij ontmoette Bart Jan Spruyt, toen nog parlementair redacteur van het Reformatorisch Dagblad.

Livestro: „Al pratend kwam ik erachter hoe groot de onvrede onder conservatieve zielen was. Paars II was een tijd van economische voorspoed. Maar Paars riep een onbeantwoorde tegenvraag op. Het was ook de tijd van ethische en culturele vrijzinnigheid. Ik denk met name aan de heilige, links-liberale drie-eenheid: homohuwelijk, abortus, euthanasie.” De coalitie van PvdA, VVD en D66 leek volgens Livestro blind voor het feit dat de maatschappij aan het veranderen was. „De arbeidersklasse was al een tijdje geëmancipeerd tot lage burgerij. Zij waren klaar zich met het politieke debat te bemoeien. Goed fatsoen, veilige buurten, recht en orde, goed onderwijs – dat waren hun thema’s. Maar er gebeurde niets. VVD en PvdA verhieven zich boven een debat met deze groep, dat kon niet goed gaan.”

Toen Frits Bolkestein nog fractievoorzitter was voor de VVD, in de periode van Paars I, was er volgens Livestro nog een conservatief tegenwicht. Onder Bolkesteins opvolger Hans Dijkstal verdween dat. „Bolkestein was nog tegen het homohuwelijk. Dijkstal zorgde ervoor dat het onderdeel werd van het regeerakkoord. Het was einde discussie, de zee sloot zich rimpelloos.”

Bart Jan Spruyt herinnert zich een partijraad van de VVD in Bussum, waar hij als journalist aanwezig was. Bolkestein hield een pleidooi voor „de terugkeer van een bezield verband” in de samenleving. „De discussie werd daar meteen gesmoord, onder meer door Dijkstal. Bolkesteins grote fout is dat hij het gevecht niet heeft willen aangaan, dat gaf hij zelf ook toe. De VVD heeft het ‘gat op rechts’ zelf veroorzaakt.”

Hans Hillen, tot 2002 Tweede-Kamerlid voor het CDA, ergerde zich ook aan de progressieve sfeer in de Nederlandse politiek. Hillen noemde zichzelf al conservatief, maar stond in zijn eigen partij onder druk van linksere politici als fractieleider Enneüs Heerma. Hij vond dat Livestro en Kinneging interessante ideeën hadden. Hillen: „Sinds de jaren zestig moest je progressief zijn als je mee wilde doen in de politiek. Nederland is in een paar decennia sterker veranderd dan in de eeuwen ervoor. Je zou verwachten dat een christen-democratische partij als het CDA nog wel zou vasthouden aan het bewaken van traditionele waarden, maar ook daar gingen alle remmen los.” De groep die aan het ontstaan was rondom Andreas Kinneging, kwam Hillen „sympathiek” over. „Eindelijk leek er een beweging op te staan die nadacht over de keerzijde van de verzorgingsstaat.”

Livestro, Spruyt en Kinneging en de jonge advocaat Michiel Visser richtten op oudejaarsavond 2000 in het Haagse café Schlemmer de Edmund Burke Stichting op. In een bovenwoning aan het Noordeinde werd later het hoofdkantoor van deze conservatieve denktank ingericht. Livestro en Spruyt werden directeur. De stichting, die haar naam ontleent aan de Ierse conservatieve denker Edmund Burke (1729-1797), moest op de paarse puinhopen een basis leggen voor een conservatieve stroming. In korte tijd trok de stichting politici van verschillende partijen aan: oud-premier Dries van Agt (CDA), Eimert van Middelkoop (GPV), Hans Hillen (CDA) en de VVD’ers Paul Cliteur en Andreas Kinneging gingen in de invloedrijke Raad van Aanbeveling zitten. „Er moest een einde komen aan de diaspora van conservatieven”, zegt Spruyt.

Bewust werd gekozen voor een denktank en geen politieke partij. Spruyt: „Het idee was om de bestaande politieke partijen te beïnvloeden. CDA, VVD en de kleine christelijke partijen hadden een rechtervleugel die wel wat zelfvertrouwen kon gebruiken.” Op lange termijn zag Spruyt een „herschikking van het politieke landschap” voor zich, waar een grote conservatieve partij zou ontstaan. Hij neemt de Verenigde Staten als voorbeeld. Daar ontstonden in de jaren veertig van de twintigste eeuw conservatieve denktanks. Die maakten de geesten langzaam rijp voor conservatief gedachtegoed binnen de partijen. Maar de eerste conservatieve president trad pas in 1980 aan: Ronald Reagan. Er was dus geduld nodig.

De oprichters van de Burke Stichting keken graag naar de Verenigde Staten, zegt Joshua Livestro. Daar oefenen niet de partijen, maar denktanks de meeste invloed uit. „Bovendien, in Nederland verander je niet zomaar van partij. Dat verklaart het falen van de LPF. De partij had sympathie onder de bevolking, maar trok maar weinig politici die hun vak verstonden.”

In 2001 raakte ook de Utrechtse historicus en Amerika-kenner Arend Jan Boekestijn aangetrokken tot de Burke Stichting. Boekestijn, VVD’er, trof er mensen die, net als hij, genoeg hadden van de ‘fun morality’ in de samenleving. Hij genoot van de filosofische debatten over de rol van de staat in de samenleving. „Ik ergerde me aan de verruwing in het verkeer, aan de leegte. Ga eens op het Leidseplein kijken om twee uur ’s nachts, naar het schelden en het vechten. Op feestjes gebruiken mensen cocaïne, alles kan maar. Er moest een moreel reveil komen, in plaats van de verheerlijking van het genot.”

De Burke Stichting verenigde volgens Boekestijn de ‘klassieke conservatieven’ die hechten aan traditie met de ‘moreel conservatieven’, zoals Spruyt, en de ‘neoconservatieven’ die geloven dat ze de maatschappij kunnen veranderen. Boekestijn raakte, na 11 september 2001, geïnteresseerd in het Amerikaanse neoconservatisme. Hij zag hoe de Verenigde Staten het Talibaanbewind in Afghanistan onttroonden en later, in 2003, Irak binnenvielen. Boekestijn: „Afghanistan heeft een virus bij me aangestoken. De neoconservatieven wilden in het geweer komen. Dat waardeerde ik zeer – al is hun idee van het exporteren van democratie naïef. Linkse partijen hebben het met hun moreel perfectionisme nooit aangedurfd de Talibaan te verjagen. De Amerikanen zijn stoute jongens, die durfden vuile handen te maken.”

De Burke Stichting kreeg genoeg geld voor congressen, debatavonden en academische seminars. Particulieren en bedrijven – Microsoft en het farmaceutische bedrijf Pfizer waren de belangrijkste sponsors – stortten in totaal circa vier ton.

De activiteiten, zeggen de mensen van het eerste uur, hadden iets deftigs. Met geestverwanten fijn discussiëren over ‘high conservatism’, goede boeken bespreken. Totdat in mei 2002 Pim Fortuyn werd vermoord, in wie de conservatieven een interessante bondgenoot zagen. Spruyt: „Fortuyn werd vermoord en wij zaten daar maar langs de zijlijn Tocqueville te lezen. De moord op Fortuyn heeft het ongeduld in mij wakker gemaakt. De politiek trok geen lessen uit zijn opkomst.”

Regelmatig heeft Spruyt met Fortuyn gesproken. Op de avond dat Fortuyn vertrok als columnist bij weekblad Elsevier omdat hij politieke aspiraties had, zat Spruyt bij hem thuis. Hij had het boek De verweesde samenleving van Fortuyn gelezen. Het bood aanknopingspunten voor samenwerking.

Fortuyn legde een parallel tussen de anti-autoritaire opvoeding die in de jaren zestig populair werd, en het verdwijnen van een samenhangend stelsel van normen en waarden in Nederland.

Bart Jan Spruyt en het bestuur van de Burke Stichting trokken na de moord op Fortuyn de conclusie dat de stichting zich niet langer vrijblijvend kon opstellen.

De tactiek van de langzame beïnvloeding van de publieke opinie had afgedaan, de conservatieven moesten échte politieke invloed krijgen. „En daarmee”, zegt Spruyt, „maakte ik diezelfde stomme denkfout als de neocons in Irak hebben gemaakt. Zij denken dat ze een cultuur kunnen veranderen van buitenaf, terwijl dat alleen van binnenuit kan. We draaiden in onze haast de juiste volgorde om. Cultuur moet de politiek bepalen, niet andersom.”

Er ontstonden persoonlijke conflicten. Bart Jan Spruyt en Joshua Livestro, allebei directeur, kregen in 2003 ruzie. Volgens Spruyt ging het om een „arbeidsrechtelijke kwestie”. Livestro zegt dat hij zich steeds minder bij de stichting thuis voelde. „Als je mensen bij elkaar zet die altijd in de marge hebben gezeten, dan moet je er wel rekening mee houden dat je problemen krijgt. Het zijn vaak mensen die zich eens willen doen gelden.” Andreas Kinneging praatte over het oprichten van een eigen partij, zegt Livestro. Spruyt leek daar ook wel oren naar te hebben. „Terwijl de afspraak was: we laten ons niet met politiek in. Voor mij was geen plaats meer, Bart Jan wilde alleen directeur zijn. Ik werd er gewoon uitgegooid.” Spruyt: „Niet Kinneging, maar juist Joshua had politieke aspiraties.” Hij citeert uit het dagboek van Frits Bolkestein, die na een lunch met Livestro schrijft: „Hij wil de Kamer in.”

Bart Jan Spruyt ging nauwer samenwerken met Michiel Visser. Samen schreven ze in het najaar van 2003 een Conservatief Manifest. Het was, anders dan voorheen, een opsomming van programmapunten. Visser en Spruyt waren voor wijziging van het kiesstelsel, voor stopzetting van de opvang van asielzoekers, voor belastingverlaging, voor strengere straffen. In het manifest wezen ze het multiculturalisme af. Ze schreven: „In de praktijk kwam het vooral neer op een knieval voor minderheidsgroepen wier cultuur wezenlijk verschilt van de westerse. Het failliet van het multiculturalisme kan thans in iedere oude wijk worden bekeken. De waarden en normen van de verschillende in Nederland aanwezige groepen zijn in belangrijke mate onverenigbaar.”

Joshua Livestro zegt dat het manifest Spruyt in de armen van Geert Wilders heeft gedreven. „Hiermee is de flirt begonnen.” Toen Wilders een jaar later de VVD verliet, omdat hij tegen toetreding van Turkije tot de Europese Unie was, nam Spruyt het voor hem op. In november kondigde Wilders op televisie aan een nieuwe partij te beginnen. Spruyt zou de partij helpen, al zou de Burke Stichting op afstand blijven. Hij legde contact met Marco Pastors en polste de mogelijkheden voor een politieke conservatieve stroming.

Hans Hillen was verbijsterd. „Daar is het misgegaan met het conservatisme. Het was zo slordig, zo ondoordacht. Bart Jan verbond zich aan een toevallige politieke passant. We waren een club van discours, maar hij ging op de politieke actietoer.” Hillen, Dries van Agt en Eimert van Middelkoop verlieten de Burke Stichting eind 2004. Ze waren diep teleurgesteld.

Joshua Livestro, die al weg was, zegt dat Wilders „een doorsnee liberaal” is. „Hij is geen conservatief. Hij is alleen geïnteresseerd in de radicale islam, die hij als een bedreiging van buitenaf ziet. Maar de analyse van de Burke Stichting was juist dat de westerse beschaving van binnenuit nog het meest bedreigd wordt. Het moest over óns gaan, maar het ging over hén.”

Arend Jan Boekestijn heeft ook „niks met Geert Wilders”, die zegt dat hij hoofddoekjes rauw lust. „Het probleem van de radicale islam kun je alleen bestrijden door de grote groep vreedzame moslims niet van je te vervreemden. In de collegezaal kom ik moslima’s tegen die mij er op aanspreken dat ik rook. Die zijn vaak veel meer met normen en waarden bezig.” Boekestijn heeft zich gemeld bij de VVD, waar hij op de kandidatenlijst wil komen. Hij wil Wilders „intellectueel tegenspel bieden”.

Toen zij hun ‘conservatieve moment’ afkondigden, hoopten de conservatieven dat zij de bestaande partijen zouden beïnvloeden. Dat, zegt Joshua Livestro, is naïef gebleken. Binnen het CDA leek iets te gebeuren toen Jan Peter Balkenende premier werd. Hij had het over kernwaarden in de samenleving, en over de rol van instituties als de kerk en het gezin. „Cultureel gezien zijn Balkenende en fractievoorzitter Maxime Verhagen conservatief. Maar toen het na een jaar regeren economisch tegenzat, zijn alle interne tegenstellingen naar de achtergrond verdwenen. Het CDA heeft altijd een hekel aan debat gehad, de consensusfiguren zijn de baas.”

Volgens Hans Hillen passen partijgenoten als Jan Peter Balkenende, Piet Hein Donner en Maria van der Hoeven „in theorie naadloos in het conservatisme”. Maar, zegt hij, het komt er niet uit. „Er zijn geen denkers, er is geen debat of maatschappijanalyse. Het CDA is een partij geworden die problemen oplost en poldert.” Een tegenbeweging, zegt Hillen, heeft inspirerende leiders nodig. Zo zijn de progressieven aan het einde van de jaren zestig ook aan de macht gekomen. Maar een conservatieve leider, laat staan een geïnteresseerde achterban, ziet hij niet opkomen. „Jongeren maken carrière, dertigers en veertigers hebben het druk met kinderen, ouderen zijn zichzelf aan het verwennen.”

De Burke Stichting bestaat nog steeds. Bart Jan Spruyt, Michiel Visser en Andreas Kinneging vormen het bestuur. De stichting beperkt zich weer tot de taak waar ze ooit voor opgericht was: het organiseren van debatten, leesclubs en congressen voor studenten. Spruyt heeft met een groep studenten onlangs films bekeken van de conservatieve filmmaker Whit Stillman. Hij heeft zijn bekomst van politiek.

Hoe het politiek verder moet met het conservatisme, weet Bart Jan Spruyt ook niet. Samenwerking op rechts komt niet van de grond. Niet alleen Wilders, maar ook Marco Pastors (Eén NL) en Hilbrand Nawijn (Partij voor Nederland) mikken op de conservatieve rechtse kiezer.

Van de partijen die nu al in de Kamer zitten, verwacht Spruyt evenmin veel. De LPF kon niet omgaan met de erfenis van Fortuyn, zegt hij. De ChristenUnie is een linkse partij geworden, zeker op economisch gebied. De VVD is sinds Hans Dijkstal een links-liberale koers ingeslagen. En niet Rita Verdonk werd verkozen tot lijsttrekker, een mogelijk nieuwe bondgenoot, maar Mark Rutte. De PvdA is niet in beweging te krijgen, een intellectueel als Paul Scheffer uitgezonderd. Het meest is Spruyt teleurgesteld in het CDA. „Soms hoor je iets hoopgevends, bijvoorbeeld wanneer premier Balkenende het heeft over culturele kernwaarden. Maar in de praktijk praten christen-democraten met meel in de mond. Bij Balkenende kreeg zijn moreel appèl al snel het niveau van: geen voeten op de bank in de trein.”

Daarom, zegt Spruyt aan het einde van het gesprek, „blijft het knagen” en wil hij de politiek niet de rug toekeren. „De samenleving is veranderd en Mark Rutte en Wouter Bos praten alsof er niets is gebeurd. Een grote conservatieve partij op rechts is de enige manier om de onvrede te kanaliseren en een extreemrechtse partij nog de pas af te kunnen snijden. We moeten geduld hebben.”