Het alledagenfeestgevoel

Welke boeken zijn aanraders voor beginnende en geoefende lezers? Welke leeslijstklassiekers hebben de ‘literaire X-factor’? Een tweewekelijks rondje langs de eeuwige jachtvelden van de wereldfictie brengt Pieter Steinz bij Liefdes schijnbewegingen van Remco Campert

Wie het verzonnen heeft, ben ik vergeten; maar nog steeds worden generaties scholieren opgescheept met het begrip ‘auctoriale verteller’. Samen met de ‘ik-verteller’ en de ‘personale verteller’ (die gebruik maakt van de hij-vorm) vormt deze alwetende verteller de heilige drie-eenheid van de verhaalanalyse, die het leesplezier in de klas niet echt verhoogt. Ook bij schrijvers is de auctoriale verteller niet erg populair meer. Omdat hij veel voorkomt in de literatuur van de 19de eeuw, heeft hij een oubollig imago gekregen. Wie zich nu nog van hem bedient, doet dat meestal met een knipoog.

Remco Campert bijvoorbeeld, in de roman Liefdes schijnbewegingen, die na bijna een halve eeuw nog even fris en vrolijk is als hij in het begin van de jaren zestig geweest moet zijn. Al vanaf de eerste bladzijde zet Campert het verhaal van onder meer Alexander Trumbauer (‘we noemen hem Lex’) naar zijn hand, en doorbreekt hij de moderne vertelconventies. Over de poëzie van een andere hoofdpersoon, de verwarde Gerard Beka, merkt hij op: ‘Hij scheurde de beschreven velletjes uit de bloknoot, stopte ze onderin de hutkoffer en ze kwamen er niet meer uit. En daar laten wij ze voorlopig ook in.’ En aan het begin van het 13de hoofdstuk aarzelt hij niet om te schrijven: ‘Omdat we per slot almachtig zijn […] laten we de tijd pas op de plaats maken en gaan we zien wat dat oplevert.’ De lezer verbaast zich dan al niet meer over de voetnoten die af en toe de wederwaardigheden van de personages onderbreken en aanvullen.

Het resultaat van al Camperts bemoeienissen is een puntgaaf verhaal over een verwende ex-bajesklant, zijn fatale zusje, haar weinig opwindende vriend en haar aan lager wal geraakte grote liefde. Het is een ultrakorte zedenschets van de jaren zestig met een grappige plot en een vederlichte moraal, die niettemin tot nadenken stemt: ‘Liefde! Bestaat zoiets? Liefde is altijd ergens anders, een watervlugge bokser met prachtig voetenwerk en oogverblindende schijnbewegingen, die nooit toeslaat en niet te slaan is.’

Liefdes schijnbewegingen is vaak gelezen als een satire, maar je kunt je afvragen op wát dan precies. Niet op het literaire wereldje waarin de dichter Beka heeft verkeerd, want op een paar rake terzijdes na (‘Een uitgeverij die alleen maar goede dingen uitgaf; even onbestaanbaar als een bordeel waarin alleen maar mooie meiden zouden rondlopen’) houdt Campert zijn kruit droog. En ook niet op de uitwassen van de jaren ’60, want de vrije liefde en het alledagenfeestgevoel worden bepaald niet belachelijk gemaakt. Misschien op de ‘hogere’ literatuur van die dagen? Dat zou kunnen. De roman verscheen in het jaar van onder meer De trein der traagheid (Johan Daisne) en Bij nader inzien (J.J. Voskuil); en met alle experimenten in spreektaal (‘wildunnie’, ‘netjes op zuggoed’) maakt Liefdes schijnbewegingen in elk geval de indruk minder serieus bedoeld te zijn. De ondertitel is niet voor niets ‘Een leesboek’.

Over de dichter Gerard Beka schrijft Campert: ‘Er waren vier bundels poëzie van hem verschenen en zijn uitgever had goede hoop dat hij nog weleens een roman van hem zou kunnen loskrijgen.’ Dat heeft iets autobiografisch. Met zijn melancholieke licht-experimentele poëzie had Campert naam opgebouwd als de toegankelijkste der Vijftigers. Maar romans verkopen nu eenmaal beter, dus ook Campert zal vaak door zijn uitgever gebeden zijn om proza van langere adem. We mogen die uitgever wel dankbaar zijn. Want zelfs al verdient Campert vooral om zijn poëzie een plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis, we hadden zijn romans – van Alle dagen feest tot en met Het satijnen hart nooit willen missen.

Reacties: steinz@nrc.nl