‘Goede dictators bestaan niet’

Oost-Timor heeft sinds 2002 een vlag en een volkslied, maar is verder een mislukte staat vol etnische spanningen. Wat ging er mis? „Ik heb keer op keer gesmeekt om de VN hier langer te laten blijven”, zegt premier José Ramos-Horta, die in 1996 de Nobelprijs voor de vrede won. „Maar ik was een roepende in de woestijn.”

Het straatbeeld van de Oost-Timorese hoofdstad wordt beheerst door terreinwagens in alle soorten en maten. Die van UNICEF zijn het mooist, die van het Australische leger het indrukwekkendst. De bodyguards in het rommelige paleis komen uit Australië en dragen hun Australische politiekleding. Ze letten op de man die tien jaar geleden de Nobelprijs voor de vrede kreeg en die tien weken geleden tegen wil en dank minister-president werd van een land dat maar niet op gang wil komen: José Ramos-Horta.

Het paleis en zijn kamer demonstreren zijn twee werelden. Op de gangen sjofel meubilair, in zijn kamer een paar minimal-design-zitstoeltjes waar Aziaten meestal niet van houden. Meer dan eenderde van zijn 56 jaren heeft Ramos-Horta in het Westen gewoond, in ballingschap en vooral als vertegenwoordiger van de Oost-Timorese bevrijdingsbeweging Fretilin. Maar na de onafhankelijkheid van zijn land in 2002 werd hij minister van Buitenlandse Zaken. In mei jongstleden nog gold hij als de ideale kandidaat om VN-secretaris-generaal Kofi Annan op te volgen. Nu heeft hij geen tijd meer – hij is premier.

Premier van een land dat een vlag heeft, een volkslied, maar verder sinds de dag van de onafhankelijkheid – 20 mei 2002 – nog niet veel verder is gekomen. Sinds een paar maanden zorgen tweeduizend Australische soldaten overdag althans voor wat rust en orde, nadat de onenigheid onder de mensen in dit armste land van Azië in een regelrechte burgeroorlog dreigde te ontaarden. De populaire, charismatische Ramos-Horta – tot dan toe minister van Buitenlandse Zaken – werd dringend verzocht er Defensie en het premierschap bij te nemen. Tegen zijn voorganger loopt een onderzoek in verband met malversaties en coup-achtige manoeuvres.

Vier jaar geleden nog zagen de Verenigde Naties Oost-Timor als het moderne succes van natievorming. Zo moest het voortaan: nadat de bijna 1 miljoen Oost-Timorezen in 1999 voor onafhankelijkheid van Indonesië hadden gekozen, zorgde de VN voor training van ambtenaren, voor rechters, voor een parlement, voor de politie en – een beetje – voor het leger. En vervolgens kon de rood-geel-zwarte vlag met witte ster in top. De eerste nieuwe staat van de 21ste eeuw was het product van modernste makelij en iedere nieuwe ambtenaar in het paleis kende twee Engelse woorden: good en governance.

En toen liep het ineens mis. Nu zitten 150.000 mensen in tenten, durven niet meer en kunnen vaak ook niet meer naar huis, omdat het is afgebrand. Het begon eerst met onenigheid binnen het leger. Vroegere verzetsstrijders voelden zich gediscrimineerd. Zeshonderd werden ontslagen, maar ze namen hun wapens mee. Later schoten politieagenten en soldaten op elkaar en vielen tientallen doden. Op straat nam de chaos het over, mensen staken op grote schaal huizen in brand en inmiddels staan etnische groepen uit oost en west van het eiland vijandig tegenover elkaar. Wat vier maanden geleden nog als het grote VN-succes werd gevierd, is ineens een mislukte staat.

Iedereen heeft het kennelijk onderschat?

Ramos-Horta: „Ik niet, maar ik was een roepende in de woestijn. Ik heb in de Verenigde Naties in 1999 keer op keer gesmeekt om de VN hier langer te laten blijven, minimaal vijf jaar. Wat mij betreft hadden de VN hier acht jaar de dienst uitgemaakt, tot 2007.

„Maar niemand wilde. De Veiligheidsraad voelde niets voor al die kosten, de Amerikanen zijn kritisch over de VN-budgetten en eerlijk gezegd vonden ook veel van onze eigen mensen uit het vroegere verzet het prachtig om zo snel mogelijk onafhankelijk te zijn. Eindelijk zelf de baas.

„De Verenigde Naties hadden ook geen idee waar ze aan begonnen. Natievorming hadden ze nog nooit gedaan. Vroeger deden ze dekolonisatie, ze hielpen bij het organiseren van verkiezingen, controleerden of het er ordelijk aan toe ging en dat was het dan. Maar hier kreeg Vieira de Mello [de VN-chef in Dili voordat hij naar Irak ging en daar bij een aanslag om het leven kwam, BK] van de Veiligheidsraad bijna keizerlijke bevoegdheden. Zijn voorschriften waren wet. Dat had veel, veel langer moeten duren. Maar ja, we liggen in een uithoek en we zijn geen haard voor internationale conflicten, dus iedereen had haast om weg te komen.”

Maar waar begin je aan: onafhankelijkheid voor een land zonder iets, in een uithoek van de wereld. De Nederlandse Antillen peinzen niet over onafhankelijkheid.

„Eerlijk gezegd waren er in 1974 toen de Portugezen aan dekolonisatie toe waren, ook maar weinig mensen die aan onafhankelijkheid dachten. Portugal had ons weinig gebracht, maar ze bemoeiden zich ook niet erg met Oost-Timor. In elk geval hadden ze voor rust en orde gezorgd. Maar toen volgden meer dan twintig jaar van brute overheersing door Indonesië. Honderdduizenden mensen verloren hun leven. Ik verloor zelf drie broers. Een zus van me is tot de dag van vandaag zwaar getraumatiseerd. En toen verdween in Indonesië dictator Suharto en kregen we een echte kans op onafhankelijkheid. Er was voor ons geen natuurlijk moederland.”

Een weeskind dus door een samenloop van omstandigheden?

„Ja, zo kun je het noemen. Maar nu zijn de Timorezen hier natuurlijk ook buitengewoon trotse, eigenzinnige mensen. Ze laten zich niet graag de wet voorschrijven als ze het niet vertrouwen. Maar als bijvoorbeeld IJsland zich als moederland had aangediend, dan hadden we er nog weleens over nagedacht, hahaha...

„Soevereiniteit is eigenlijk hier niet zozeer het streven. Culturele identiteit, trots, waardigheid – dat zijn veel meer de begrippen waar het om gaat.”

Ik sprak een paar parlementariërs hier die wel wat voelden voor een goede dictator.

„Ja, sommigen vinden mij veel te soft en komen me vragen om strenger te zijn. Maar waar hebben we het eigenlijk over, ik kan niet eens optreden al zou ik het willen. We moeten zelfs onze eigen politie opnieuw opbouwen, kunnen op dit moment niet eens zelf rust en orde handhaven. Dat doen Australiërs nu voor ons. Bovendien, goede dictators bestaan niet, hooguit kunnen dictators ook nog een goede kant hebben. Nee, we hebben geen alternatief dan met hulp van de internationale gemeenschap dit land netjes van de grond te tillen. En dat kan ook, alleen gaat dat allemaal heel langzaam.”

Een van uw eerste daden was het aangaan van diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan. Waarom nu ineens? Gokt u op een wonder?

„De katholieke kerk is hier een van de weinige krachtige instituties. Mensen zijn hier bijna allemaal katholiek, ze gaan naar de kerk. Diplomaten van de Verenigde Naties hadden het destijds over de scheiding van kerk en staat. De kerk moest op afstand staan, zo hoort het. En de bevrijdingsbeweging Fretilin met zijn marxistische wortels had daar ook geen moeite mee.

„Maar laïcisme van de staat is nou typisch iets dat aardig klinkt in diep gewortelde naties. Als vandaag in Frankrijk de hele bisschoppenconferentie besluit om te emigreren, zullen de kranten er morgen vol van staan, maar het land zal gewoon doordraaien. Als onze bisschoppen zouden besluiten hun koffers te pakken, is het burgeroorlog.

„Maar er is nog iets anders: de katholieke kerk is hier een geweldig instituut. Ze doet goed werk in het onderwijs en in de gezondheidszorg. De mensen zijn er vertrouwd mee en wij kunnen het uitstekend met de kerk vinden. Met zulke dingen moet je zuinig omspringen. We lopen elkaar niet voor de voeten en we willen goede afspraken in een concordaat tussen ons en het Vaticaan vastleggen. Dan is een vertegenwoordiger bij de Heilige Stoel nuttig.”

Hebben de branden, plunderingen en rellen van de laatste tijd geen streep door uw rekening gehaald om secretaris-generaal van de VN te worden?

„Ik heb er begin dit jaar over nagedacht of ik me kandidaat moest stellen, maar wist het nog niet. Ik zag dat anderen mijn naam noemden, Frankrijk steunde me en in Amerika waren het zowel de Republikeinen als de Democraten. En ook Portugal was bezig om voor me te werven. Toen begon het serieus te worden – tenslotte is het nu na Kofi Annan de beurt aan iemand uit Azië. Dat was in mei en dat was ook de tijd dat ik me beschikbaar had moeten stellen. Maar voordat ik een besluit had genomen, brak hier de crisis uit en nu kan ik niet weg.

„Het zal moeten wachten tot de volgende termijn, 2012, maar natuurlijk alleen als de nieuwe man het slecht doet, want anders komt er vijf jaar bij, en daarna is Azië niet meer aan de beurt. Zo gaan die dingen soms.”

Betekent dit dat u meedoet aan de verkiezingen hier volgend jaar?

„Dat weet ik nog niet. Het hangt er ook van af wat de president doet [Xanana Gusmao, BK]. Allebei weggaan is misschien niet verstandig. Maar mijn ideaal is eigenlijk om een boek te gaan schrijven over mijn opvattingen over de botsing tussen de beschavingen. Daar loop ik al een hele tijd mee rond, uitgeverij Random House heeft me gevraagd, maar ik heb nog niet getekend. Ik begon ooit als journalist en het trekt me wel om met schrijven te eindigen.

„Maar voor dit moment heb ik andere dingen aan mijn hoofd. Er zijn hier bijna elke dag incidenten. Veel jongelui zijn erbij betrokken. In sommige streken wordt gemoord, en er zijn vuurwapens in omloop. Onze politiemacht is helemaal verdwenen, we hebben niet één operationele eenheid meer. Hopelijk komt er eind van de maand extra internationale politie en kunnen we onze eigen politie ook weer gaan opbouwen.”