Folklore

Aandoenlijk was het wel, die eerste Nederlandse Naturalisatiedag, afgelopen donderdag – vooral die grote zwarte man op het podium van het Amsterdamse Muziekgebouw die het sleetse Wilhelmus liet klinken alsof het Ol’Man River was en de Tachtigjarige Oorlog de pijn en het verdriet meegaf van driehonderd jaar slavernij. De feestelijke beelden die het NOS-Journaal van de plechtigheden toonde – blije gekleurde gezichten, vrolijke kleren in onhollandse kleuren en veel trommelmuziek – deden me onwillekeurig denken aan al die blijmoedige multiculturele festivals van een jaar of twintig geleden, toen de multiculturele droom nog een prachtige zeepbel was en Hans Janmaat nog niet als een miskende profeet werd gezien. Het zag er werkelijk precies hetzelfde uit – een luidkeels afgekondigd multicultureel drama, jaren van verbitterd debat, ongekende politieke spanningen, twee moorden, en uiteindelijk gewoon weer een bont festival waar de culturele diversiteit opzichtig gehuldigd werd.

Natuurlijk is er een verschil. Waren het twintig jaar geleden nog Nederlanders die zich met de gedrevenheid van gelovigen bekenden tot „andere culturen’’, die de saaie Nederlandse samenleving blijvend zouden opleuken met exotische restaurants en wilde dans, nu werd er van de nieuwkomers gevraagd om hun Nederlanderschap te omarmen en te vieren. Dat is de ware omslag die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden: kon al die sentimentele multiculturele romantiek van een paar decennia terug juist bloeien door een in wezen diep verankerd, rotsvast gevoel van zekerheid over de Hollandse identiteit, tegenwoordig is de onzekerheid over diezelfde identiteit – door immigratie, globalisering – zo groot, dat bevestiging van buitenaf moet worden afgedwongen. Nieuwkomers moeten zich niet alleen aan de wet houden, ze moeten van staatswege hun nieuwe Nederlanderschap vieren. Hou van ons.

De leugen van het oude multiculturele ideaal is genoegzaam bekend – een naïeve of moedwillige onderschatting van wat het betekent wanneer iemand uit de ene cultuur zich blijvend vestigt in de andere, zeker wanneer het de omvang van een volksverhuizing aanneemt. Maar ook de afgedwongen feestelijkheid bij het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit laat een leugenachtige krampachtigheid zien: voor immigranten die zich blijvend in Nederland willen vestigen, valt er de laatste jaren bar weinig te vieren. Het opgewonden rumoer dat de afgelopen tijd als zinnige kritiek op de achterhaalde multiculturele wensdroom is verkocht, heeft een infantiel nationalisme aan het licht gebracht dat allesbehalve zelfverzekerd aandoet.

Neem het nieuwe verkiezingsprogramma van Geert Wilders – dat is een lesje xenofobe claustrofobie. De Oostenrijkse populist Jörg Haider, die door Hollandse neoconservatieven als Afshin Ellian nog altijd wordt aangewezen als het echte Kwaad, had het niet uit zijn pen gekregen. Het werd geschreven met hulp van de alweer afhaakte conservatief Bart Jan Spruyt. Die laatste moet nu eindelijk maar eens echt de werken van Edmund Burke gaan lezen – hij heeft er tijd genoeg voor. Conservatisme is iets anders dan de bange benepenheid en weeë nostalgie waar we de afgelopen jaren op zijn getrakteerd, met om de zoveel weken de roep om een nieuwe Churchill. (Overigens heet Spruyt bij de Kamer van Koophandel, las ik eens in De Groene, gewoon Spruit, net zoals Pim Fortuyn gewoon Fortuin geheten schijnt te hebben. Het monoculturele drama in een notendop.)

Wat die diepzwarte gospeluitvoering van het Wilhelmus in het Muziekgebouw laat zien, is dat de Nederlandse cultuur zelf steeds meer folklore zal worden, al die manmoedige pogingen tot reanimatie van ons nationaal bewustzijn ten spijt. Dat is de prijs die onvermijdelijk betaald zal worden: naarmate de Hollandse identiteit steeds bewuster gezocht en omschreven moet worden, naarmate de Nederlandse geschiedenis steeds krampachtiger weer tot een vaderlandse geschiedenis wordt gemaakt, zal de Nederlandse cultuur steeds bedachter en folkloristischer aandoen – zoiets als een Hollandse Pasar Malam. De wensdroom dat Nederland en de Nederlandse cultuur zich blijvend zullen kunnen onttrekken aan het verwaterende effect van globalisering en immigratie, is net zo naïef als de wensdroom van een moeiteloze vermenging met behoud van eigen cultuur, die het oude multiculturalisme koesterde.

Dat besef begint nu eindelijk door te dringen. Er zal niet gezocht moeten worden naar een verloren nationalisme, of een verloren geschiedenis, maar naar een nieuwe, volwassen houding tegenover de grote boze wereld van nu. Gerd Leers, de burgemeester van Maastricht, greep de Naturalisatiedag aan om de noodzaak van een open migratiemodel te bepleiten, omdat Nederland anders hopeloos achterop raakt. Dat was een meesterzet, omdat Leers een in potentie kleingeestige vertoning aangreep om de bal bij alle Nederlanders te leggen. Hij hekelde de „kille en kortzichtige ondertoon in het maatschappelijke debat dat wordt gevoerd over migratie en naturalisatie.”

Daardoor kreeg de eerste Nederlandse Naturalisatiedag onverwachts een nationale betekenis. Zulke initiatieven zijn een voorbeeld van wat de Britse historicus Michael Burleigh civic religion noemt, burgerschapsreligie – om je als nieuwkomer bij een land betrokken te voelen, moet je er eerst in geloven. De rituelen van die nieuwe godsdienst zijn in Nederland, zo blijkt, eerder kneuterig dan bevlogen, een beetje zingen, een mooie toespraak („Meedoen is belangrijk.”) en een hand van de burgemeester. In IJsselstein, meldde de Volkskrant, werden geen handen op de Grondwet gelegd, geen eed uitgesproken, niet met vlaggen gezwaaid, zelfs het Wilhelmus bleef achterwege. Want voor je het weet wordt het nationalisme, aldus burgemeester Kok.

Meedoen is belangrijk – langzaam wordt duidelijk dat dat mes aan twee kanten snijdt. Wie meedoet, moet ook het gevoel hebben dat hij er echt bij hoort. De toon waarover Leers zich in zijn rede beklaagt, heeft te lang het nationale debat bepaald. Het is tragisch dat de politici die over zoiets beschikken als een morele visie – een visie die Nederland een uitweg kan bieden uit zijn beschamende identiteitscrisis – slechts actief zijn op lokaal niveau. Terwijl men zich op nationaal niveau doodsbenauwd toont dat de sharia stiekem wordt ingevoerd en dat de burqa blijvend het straatbeeld gaat bepalen (een burqa-verbod, godbetert), zijn van onderop de eerste tekenen van een nieuw elan te zien, dat niet wegkijkt en niet terugkijkt. Wie het voortouw neemt, wint de verkiezingen.