Eeuwige strijd tegen het gestel

Sjeng Schalken kampt al twee jaar met hardnekkige blessures. De US Open moet de tennisprof ook aan zich voorbij laten gaan. Maar aan stoppen denkt hij nog niet. „Ik ben nooit een opgever geweest.”

Sjeng Schalken is teruggekeerd op het oude nest. De kasteelhoeve in Kessenich vormde het decor van zijn jeugd. Hier wil hij zijn vorige maand geboren dochtertje Jackie groot brengen. En samen met zijn vrouw Ricky wil de 29-jarige tennisser oud worden in het Belgische plaatsje dat grenst aan het Nederlandse Limburg. De muur waartegen Schalken als kleine jongen duizenden ballen sloeg, staat er nog altijd hetzelfde bij. Alleen het ooit weggehaalde rijtje stenen dat de hoogte van het net moest aangeven, is teruggeplaatst.

De proftennisser Schalken raakte de voorbije maanden geen racket meer aan. Samen met zijn vrouw werkt hij aan zijn eigen kledinglijn. Daarnaast vervult hij zijn rol als vader. Langzaam maar zeker went Schalken aan een normaal leven zonder tennisbanen, hotels en jetlags. In tegenstelling tot zijn collega Martin Verkerk heeft Schalken geen last van depressies en zelfmedelijden.

„Ik ben net zo rustig als altijd en ik verveel me eigenlijk geen moment”, zegt Schalken aan de eettafel in een deel van het huis dat zijn ouders voorheen gebruikten als gastenvertrek. „Ik zal ook niet zo snel in een zwart gat terechtkomen. De tenniswereld mis ik niet. Ik heb vrijwel geen contact met andere spelers. Daar heb ik ook niet echt behoefte aan. De tour draait gewoon door zonder mij. In het verleden stuurde ik jongens die geblesseerd waren wel eens een berichtje. Ik was kennelijk de enige die dat deed, want ik heb zelf van geen buitenlandse speler een steunbetuiging gekregen. Dat maakt me niets uit hoor. Mijn vrienden lopen niet in het tennis rond. We komen elkaar als profs tegen omdat we toevallig goed kunnen tennissen. Ik ben altijd een einzelgänger geweest. Het gevecht één tegen één op de baan heb ik altijd het mooiste aan tennis gevonden. Dát is het enige wat ik de voorbij tijd heb gemist. Voor een duel raak je helemaal in trance. Het prachtige gevoel na een overwinning. Dat hoop ik nog een paar jaar te kunnen beleven.”

Schalken kampt sinds het begin van 2004 met tal van tegenslagen die hem het tennissen onmogelijk maken. De ziekte van Pfeiffer en een hernia dreigen een einde te maken aan zijn profloopbaan.

In februari van dit jaar beleefde Schalken een van de moeilijkste momenten van zijn carrière. Nadat hij maanden achtereen met zijn trainer Henk van Hulst zijn lichaam op Spartaanse wijze klaarstoomde voor een comeback, kreeg hij tijdens een challengertoernooi in Bergamo opnieuw last van zijn kuit. Een teken dat de hernia nog niet verdwenen was.

Zwaar teleurgesteld meldde ‘de Limburgse muur’ zich af voor het World Tennis Tournament in Rotterdam. „Een half jaar lang had ik alles opgebouwd voor een terugkeer. Dag in dag uit werkte ik op een atletiekbaan oefeningen af. Dan verwacht en hoop je de resultaten daarvan te zien. Maar na de tweede partij die ik in Italië speelde, viel de spanning in mijn linkerkuit weg. Dat was een mentale klap. Ik had voor niks als een monnik geleefd. Ik had zo graag in Rotterdam willen spelen, maar dat ging gewoon niet. Op dat moment zei alles in me dat ik voorlopig maar afstand van het tennis moest nemen. Vrijwel direct daarna besloten we de huur van ons appartement in Monaco op te zeggen. Zolang ik niet speel, heeft het in financieel opzicht geen enkele zin daar te wonen. Bovendien wilden we meer ruimte voor de kleine. De stap van Monaco naar Kessenich hadden we anders toch ook een keer moeten zetten. Hier gaan we waarschijnlijk niet meer weg. We voelen ons hier thuis.”

Zes maanden lang heeft Schalken zijn tennisracket niet meer aangeraakt. Hij houdt zichzelf fit met hardlopen en hij voetbalt twee keer per week met een groepje bekenden. „Ik heb alleen tijdens de Ordina Open in Rosmalen even een balletje geslagen met mevrouw Kasteel (de echtgenote van Ordina topman Ronald Kasteel, red.). Verder heb ik helemaal niet meer getennist. Dat heeft nu voor mij ook geen enkele zin. Ik leg daarvoor de lat toch veel te hoog. Als ik me niet goed kan bewegen, wordt het nooit wat. Dan kan ik echt van iedereen verliezen. Daarom neem ik nu geen overhaaste beslissingen meer. Ik wil eerst helemaal fit worden voordat ik de baan op stap.

„Het gaat steeds beter met me. Ik doe thuis op de trap al weer voorzichtig oefeningen met mijn kuiten. Maar als ik ooit nog terugkeer, zal dat nog wel even gaan duren. Heel voorzichtig zal ik mijn niveau gaan testen. Misschien begin ik wel op amateurniveau. En dan maar zien hoe ver we komen.”

Schalken reikte in april 2003 tot de elfde plaats van de wereldranglijst. De kans dat hij die positie kan verbeteren lijkt niet groot. Toch is een Schalken in goeden doen niet veel minder dan spelers als Tommy Robredo en Radek Stepanek die vandaag de dag bij de beste tien van de wereld staan.

„Als ik fit ben, ben ik niet bang voor dat soort jongens. Het is al weer tweeënhalf jaar geleden dat ik sterk genoeg was om te spelen. Ik was destijds juist aan een hele goede periode bezig en hoopte een volgende stap te kunnen maken. Ik weet precies waar ik wel en niet goed in ben. Ik zou zelf heel goed weten hoe ik Sjeng Schalken zou moeten verslaan. Maar die tactiek geef ik niet prijs. Ik heb in al die jaren geleerd wat ik op een tennisbaan moet doen. Daar heb ik nu geen hulp van een coach meer bij nodig. Dat gevecht ga ik zelf aan.

„Ik ben altijd streng voor mezelf geweest. Ik heb zelden of nooit genoten van het leven. Het tennis heb ik altijd zeer intens beleefd. Daarom ben ik misschien ook wel zover gekomen. Ik heb tijdens mijn revalidatie wel eens gedacht dat ik wat meer relaxed zou moeten zijn. Dat probeerde ik bij mijn terugkeer in Bergamo, maar dat ging eenvoudigweg niet. Direct na de loting raakte ik al weer in trance. Ik voelde de energie uit mijn lichaam stromen. Dan probeer ik zoveel mogelijk rust te pakken. Alles moet wijken voor de partij die komen gaat. Dan voer ik de druk op mezelf enorm op. Ik wil nu eenmaal geen wedstrijden verliezen die ik niet hóef te verliezen. Ik hou niet van half werk.

„Hoe anderen naar mij kijken kan me niet veel schelen. Daar ben ik nooit mee bezig geweest. Nu ik vaker in Nederland ben, merk ik eigenlijk pas dat best veel mensen mij kennen. Ze hebben me al die jaren gevolgd en naar mijn partijen gekeken. Daar stond ik nooit bij stil. Ik leefde in mijn eigen wereld.”

Schalken is in tegenstelling tot profs als Raemon Sluiter en Martin Verkerk nooit een teamspeler geweest. In de aanloop naar Davis-Cupontmoetingen wist Schalken zich vaak moeilijk een houding te geven in de selectie van Tjerk Bogtstra. „Een einzelgänger als ik vind zo’n grote groep maar niks. Normaal gesproken zonder ik me af en heb ik maximaal vier tot vijf personen om me heen. Bij de Davis Cup zit je opeens in een groep van dertien tot veertien mensen. Dan is er altijd ook nog een hoop spektakel. Dat is allemaal tegen mijn natuur in. Toch heeft dat mijn prestaties nauwelijks beïnvloed. Ik heb in de Davis Cup veel goede partijen gespeeld.”

Als Schalken zich ooit nog voor het Nederlandse Davis-Cupteam beschikbaar stelt, dan wil hij een confrontatie met Bogtstra, zoals tijdens zijn laatste Davis-Cuppartij twee jaar geleden in Zwitserland, zien te voorkomen. Tijdens het duel met Stanislas Wawrinka zei Schalken tegen de captain dat hij niet gecoacht wilde worden. „Tijdens die wedstrijd functioneerde mijn lichaam al niet goed meer. Ik kon nauwelijks bij de bal komen. Ik wilde het op mijn eigen manier zien op te lossen. Dat is allemaal uitgepraat. Maar ik zal alleen nog in de Davis Cup spelen als ik helemaal fit ben. Anders heeft het geen zin om een plek in de groep op te nemen. Dat heb ik wel geleerd van het verleden.”

Schalken zal na een rentree zuiniger op zijn lichaam worden. Hij is er van overtuigd dat zijn blessures mede het gevolg zijn van overbelasting. „Ik heb altijd met pijntjes gespeeld. Daar heb ik mee leren leven. Maar met hernia spelen kan niet. Ik heb mijn lichaam tijdens de ziekte van Pfeiffer kapot gespeeld. Daardoor is de hernia waarschijnlijk ontstaan. Het is te hopen dat de zenuw helemaal herstelt. Daar is het wachten op. Ik weet wel dat ik niet meer fulltime de hele wereld over zal trekken. Ik zal de toernooien uit gaan kiezen. De kans dat ik bijvoorbeeld ooit nog op de Australian Open speel, is heel klein. Dat is toch nooit mijn toernooi geweest. Mijn spel is niet geschikt voor die wind en die langzame banen. Wat dat betreft is de US Open mij wel op het lijf geschreven.”

Op de hardcourtbanen van Flushing Meadows haalde Schalken in 2002 de halve eindstrijd. Een jaar later bereikte de baseliner de laatste acht in New York. Net als de voorbije twee jaar ontbreekt Schalken de komende weken op het grandslamtoernooi, waar Andre Agassi afscheid zal nemen. „Dat ik nu niet aan de US Open mee kan doen, doet me niet zoveel. Zolang ik zelf niet speel, volg ik het tennis eigenlijk nauwelijks. Maar als ik ooit nog wil pieken zal het in de Verenigde Staten moeten gebeuren. Daar heb ik vier jaar geleden mijn beste tennis gespeeld. Het was zonde dat ik in de halve finale tegen Pete Sampras moest. Tegen hem kreeg ik nauwelijks kans in mijn spel te komen. Als gevraagd wordt wat ik het hoogtepunt van mijn carrière vind, dan zeg ik echter mijn drie kwartfinales op Wimbledon. Als je drie keer achter elkaar bij de laatste acht staat, zegt dat wel wat over je kwaliteiten. Ik heb negen jaar in de top honderd gestaan. Op mijn 27ste was het opeens voorbij. Dat vind ik te vroeg. Ik wil het gevecht tegen mijn lichaam nog niet opgeven. Waarom zou ik dit hoofdstuk in mijn leven al afsluiten? Motivatie is voor mij geen probleem. Ik ben nooit een opgever geweest. Ik wil die tiende titel pakken, weer in de tweede week van een grandslamtoernooi staan. Ik weet namelijk wat voor een supergoed gevoel dat geeft.”