De rare zomer van 2006. Althans de hits

Joost Zwagerman hoort hoe new wave-doemmuziek uit de jaren tachtig terugkeert op een zwoel Nouvelle Vague-zomeralbum

Rare zomer, dit jaar. Eerst te heet, daarna te nat. De vakantiespreiding had tot gevolg dat schoolkinderen uit het zuiden van het land zich later een heel andere zomer zullen herinneren dan die uit de Randstad en het noorden. Scholieren uit Brabant en Zeeland hadden eind juni al vakantie; weken van bloedhete dagen lagen in het verschiet. Scholieren elders in het land moesten nog tot half of soms zelfs tot eind juli. Zij smoorden in de klaslokalen, en toen het eindelijk vakantie was, brak de Hollandse moesson aan die tot diep in augustus doorstriemde: hun hele zomervakantie verregend! Wie dus in Groningen luistert naar een van de zomerhits van dit jaar, ‘Crazy’ van Gnarls Barkley, zal er komende winter heel andere associaties bij beleven dan de geluksvogels van beneden de rivieren.

‘Crazy’ is een verraderlijk nummer. Wie het onbevangen hoort, denkt te maken te hebben met eindelijk weer eens een soulvolle zanger die in de voetsporen wil treden van Otis Redding, Marvin Gaye of voor mijn part Seal. Maar achter die tongbrekende naam Gnarls Barkley gaat een slim gelegenheidsduo schuil. De ene helft van dat duo is producer Danger Mouse, die onder meer tekende voor het Gorillaz-album Demon Days. ‘Crazy’ is net zo leep geproduceerd als de leeptste Gorillaz-nummers.

shakira! shakira!

Echt uitbundig zijn die ándere twee zomerhits van dit jaar: ‘Mas que nada’ van oudgediende Sergio Mendez, en ‘Hips don’t lie’ van Shakira en oud Fugees-voorman Wyclef Jean. Er zijn mensen die gruwen van de stem van Shakira, die zingt alsof in haar middenrif een loeiende stofzuiger van Nilfisk de Noorman is neergedaald. In combinatie met de ook al onalledaagse stem van Wyclef Jean klinkt ‘Hips don’t lie’ naar kampvuur en joints doorgeven, dit laatste op het moment waarop in ‘Hips Don’t Lie’ Wyclef roep-rapt: ‘No fightin’! No fightin’!’ Afgewisseld door de hiphop-hoofse, dwepende kreet: ‘Shakira! Shakira!’

Op een andere hit van dit moment eist eveneens een vrouwennaam die wordt uitgesproken de aandacht op. De nieuwe versie van ‘One’ van U2 – een duet met Mary J. Blige – neigt helaas ietsje naar r&b-bombast. Maar de manier waarop Bono in dit gelegenheidsduet zijn counterpartner Mary J. Blige aankondigt -met alleen een simpel ‘Mary’- is onbetaalbaar: alsof een hoogkatholieke plicht de Ierse crooner hem ertoe aanzet de Heilige Maagd zélf aan te roepen.

Was ik een studio-genie à la Danger Mouse of Tom Holkenborg (Junkie XL), dan mixte ik Bono’s echo-ende uitroep ‘Mary’ met Wyclefs ‘Shakira! Shakira!’ en serveerde ik beide kreten op een bedje van bossa nova, salsa en merengue, afgeblust met een zwoel zingend zuchtmeisje uit de gelederen van Nouvelle Vague, het studio-project van de Fransman Marc Collin. Het Nouvelle Vague-album Bande à Part, ontstaan onder supervisie van deze Collin, bestaat uit een reeks new wave en postpunk-nummers uit de jaren tachtig die allemaal door een wasstraat van bossa nova, calypso, rocksteady en lounge zijn gegaan.

New wave omgewerkt tot lounge en calypso: in theorie kan dat alleen maar leiden tot bastaardmuzak. Maar het wonder is dat de ars combinatoria van Marc Collin spectaculair uitpakt. Zoek een handvol meisjes die kunnen zingen à la Astrud Gilberto bij elkaar en vorm de spannendste nummers van Echo and the Bunnymen, Buzzcocks, Dead Kennedys, PIL, New Order en XTC om tot lome, slome, dromerige sleperige en temerige bossa nova en zie: een heel muzikaal universum kantelt. Hard core new wave-adepten van weleer zullen er misschien voor weglopen, maar voor alle anderen is er alle gelegenheid om juist via de omweg van de extreme make-over te ontdekken wat voor ijzersterke liedjes er in die jaren tachtig gemaakt werden, en ook hoe relatief gemakkelijk de doem en destructie van de allerzwartste muziek van toen zich laat omwerken tot lekker heupwiegende feel good-liedjes.

DREIGING EN DRAMA

Goed, er staan wat missers op Bande à Part. Zo klinkt de remake van Blondie’s ‘Heart of glass’ nog beroerder dan het origineel. Maar Nouvelle Vague heeft van de demonische Cramps-klassieker ‘Human fly’ een aanstekelijk, zwoel zon-, zee- en zandliedje gemaakt, zonder dat alle duistere aspecten van het origineel zijn weggemasseerd.

Op momenten sijpelt er zowaar dreiging en drama door in de bossa nova-covers van Nouvelle Vague. Zo is ‘Bella Lugosi’s dead’ van Bauhaus omgewerkt tot een exotische mix van –hoe zullen we het noemen – post-calypso en bijna-triphop (bent u daar nog?). Alsof je een in beginsel onmogelijk gezelschap van Portishead, Siouxsie and the Banshees, Dalida en Natalia Imbruglia laat overleggen en vervolgens wacht op welk beat hun staakt-het-vuren is gezet. Nouvelle Vague bewijst dat de mix van genres tot avontuurlijke resltaten kan leiden. Zie voor zo’n mix ook het nieuwe album van Zero 7, waarin invloeden van Crosby, Stills and Nash de lounge en dance-tracks kleuren.

COVER-VERBOD

Het titelloze debuut van Nouvelle Vague van twee jaar geleden heb ik destijds gemist, en nu ik beide albums ken, is de keuze tussen dat debuut en Bande à Part snel gemaakt. Bande à Part is niet alléén maar muziek met een knipoog, cheesy en plezant. Toch staan de twee echte waagstukken op dat eerste, titelloze album: een remake van ‘A Forest’ van The Cure, en, schrik niet, een cover van de sleutelsong uit de new wave-tijd, ‘Love will tear us apart’ van Joy Division.

In beginsel moet je van sommige nummers afblijven. Zo zou er op ‘Imagine’ van John Lennon een cover-verbod moeten staan, zeker nadat Madonna er zich in haar tournee van 2004 aan heeft vergrepen. Ook op ‘Love will tear us apart’ zou in principe zo’n gebruiksverbod moeten staan. Er bestaan heel erge covers van dit onvergelijkelijk zwartgallige nummer, met als dieptepunt de versie van de inmiddels vergeten Paul Young. Recent is er ook een al te esoterische versie van gemaakt door een duo uit Noorwegen, Susanna and the Magical Orchestra.

De Nouvelle Vague-versie van ‘Love will tear us apart’ is een klein mirakel. De versie is zo on-Joy Division-achtig als het maar kan. De dreunende doem uit Manchester is ingeruild voor een soezelige gemoedelijkheid uit, zeg, Sao Paolo. Er ruist een zee, er klinkt een fluitje van een badmeester, er zingt een zuchtmeisje en er waait een digitaal geluidsbriesje. Het resultaat is onverwacht sterk, ontroerend zelfs, zó sterk dat je op een gegeven moment in lome weerloosheid je eigen jaren tachtig mijmerend gaat her-evalueren. Was het nou wel zo uitzichtloos, toen? Dansten we echt zo grimmig en chagrijnig op de vulkaan? Het onmogelijke wordt waar: een van de zwartste nummers aller tijden ontpopt zich na een spectaculaire bewerking tot een onweerstaanbaar mooi-weerliedje.