Criminaliteit en de media

Paul Schnabel

barbra van gestel. ‘nieuws, beleid en criminaliteit. over de wisselwerking tussen lokale media en criminaliteitsbestrijders’. amsterdam, aksant, 322 blz. universiteit leiden, 22 juni 2006. Promotores: prof.dr. g. Bruinsma, prof.dr. k. brants, prof.dr. h. elffers.

Een mooi actueel onderwerp, goed voor een poging tot sociologische ‘debunking’. Is het wel waar dat de media zelf het nieuws maken en vervolgens op hoge toon eisen dat de overheid passende maatregelen neemt om aan iets een einde of juist met iets een begin te maken? Barbra van Gestel stelt de vraag niet zo suggestief, haar proefschrift wil gewoon weten ‘op welke wijze lokale media en lokale criminaliteitsbestrijders elkaar beïnvloeden’. Toch opent ze haar boek met een kras voorbeeld van politieke agendavorming door een medium.

Een lokale krant meldt groot hoe het centraal station ‘s avonds een verzamelplaats is geworden voor honderden zwervers en junks. Overlast en criminaliteit nemen hand over hand toe en er moet worden ingegrepen. Dat gebeurt vervolgens ook, maar wat gemeentebestuur en burgerij niet weten is dat het stuk in de krant het gevolg is geweest van een actie van een commissaris van politie, die zelf vond dat het maar eens afgelopen moest zijn met dat gedonder op het station.

De krant had natuurlijk ook van het opzetje van de commissaris nieuws kunnen maken en hem kunnen ontmaskeren als een ‘spin doctor’. Dat had een politieke rel in de gemeenteraad opgeleverd, gevolgd door een ‘openhartig’ gesprek tussen de burgemeester en de commissaris. De krant had dan een ander referentiekader gekozen dan het criminaliteits-frame, maar in de oorspronkelijke Amerikaanse zin van het woord ook een vorm van ‘framing de commissaris’ bedreven. Hem voor schut gezet dus. Wie de media voor zijn karretje wil spannen, loopt het risico naar een onbekende en ongewenste plaats gebracht te worden.

Het zwaartepunt van het proefschrift van Barbra van Gestel wordt gevormd door twee casestudies, waarvan er een zelfs de helft van de tekst beslaat. ‘Drugsoverlast in het Raamkwartier’ en ‘Bulgaren in Zandstad’ (de Bulgaren zijn echt, maar Zandstad is de op twee plaatsen onbedoeld onthulde schuilnaam voor een van de drie grote steden) geven een bijna van dag tot dag beschrijving van de wijze waarop burgers, overheid en media omgaan met een hinderlijke en publieke vorm van criminaliteit.

Vooral het verhaal over de lotgevallen van en met de Bulgaren – illegaal aan het werk, uitgebuit door huisjesmelkers, verwikkeld in prostitutie, drugs en straatroof – is een mooi staaltje van sociologische journalistiek. Alles komt aan de orde – het illegale werk, de koppelbazen, de armoede thuis, de huisjesmelkers van Zandstad, de acties van de politie en van de buurtbewoners, het beleid van de burgemeester, de rol van de journalisten – maar het blijft niet bij de etnografische beschrijving van een typische rafelrand van het moderne stadsleven. Het gaat Barbra van Gestel per slot van rekening ook niet om de Bulgaren, maar om de wisselwerking tussen bestuurlijke drukte en de vorming van de publieke opinie.

Veel kennis om op terug te vallen is er niet. De medialogica, zoals die voor Nederland in 2003 door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling is uitgeschreven, heeft vooral betrekking op de wijze waarop de media met nieuws omgaan of iets als nieuws herkennen. De Raad voor het Openbaar Bestuur zag in hetzelfde jaar de rol van de media in het publieke debat bij voorkeur als een latrelatie.

Barbra van Gestel wil als onderzoeker niet zozeer een onderscheid maken tussen goede en slechte praktijken van de pers, maar tussen wat het geval is en wat men denkt dat het geval is. Om dat onderscheid te maken neemt ze aan de ene kant het ideaaltype van het beleidsproces (agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsvorming, uitvoering en evaluatie) als uitgangspunt en aan de andere kant het ideaaltype van de functies van de media in een democratie. Het gaat dan om het weergeven van wat er leeft onder de bevolking en in de samenleving, om het informeren van burgers over het beleid en om het kritisch volgen en controleren van het handelen – of het gebrek daaraan – van de overheid. Alweer ideaaltypisch lopen de drie functies van de media ongeveer gelijk op met de fasen van het beleidsproces. Iedere functie kent bovendien een andere relatie tussen de drie partijen: burgers, overheid en journalisten.

De praktijk is uiteraard anders en in alle opzichten veel minder fraai en logisch geordend dan de ideaaltypen veronderstellen. De Zandstad-verhalen laten wel zien hoe belangrijk de rol van de media is, maar de journalisten blijken toch meer volgend dan bepalend als het om beleid gaat. Bovendien vormt ook geen van de drie partijen intern een eenheid. De lokale televisie of radio kan andere accenten leggen dan de lokale pers, de prioriteiten van de burgemeester zijn niet noodzakelijk ook die van de raad, de wethouder, de commissaris van politie of het wijkbureau, de ene groep burgers kan uitzetting van de illegalen eisen, terwijl een andere groep aandringt op vooral betere opvang.

Heel erg verrassend is dat misschien niet, maar het is toch zelden zo precies gedocumenteerd en beschreven als in dit proefschrift. Verrassend en nieuw is wel dat de media duidelijk anders reageren op een oud en bekend probleem, zoals bijvoorbeeld de drugshandel in een bepaalde wijk, dan op een nieuw en ongewoon probleem als een plotselinge stroom illegale werkzoekenden. In het eerste geval is men vooral de woordvoerder van de burgers, die zuchten onder de overlast, in het tweede geval kijkt men vooral naar wat de overheid doet of van plan is te doen. In het eerste geval ligt het ‘frame’ ook al vrij vast (overlast), in het tweede geval wil het nog wel eens wisselen (uitbuiting, criminaliteit, armoede, illegaliteit, gevaar volksgezondheid).

Dit proefschrift heeft onvermijdelijk een explorerend karakter. De wisselwerking tussen media, burgerij en overheid is een interessant en ook maatschappelijk relevant thema, maar tegelijkertijd zowel moeilijk meetbaar als lastig traceerbaar. Er is ook weinig onderzoek om op voort te bouwen en nog minder theorie om mee verder te komen. Het begin is er nu.