Caritas

Aan welk goed doel geeft iemand en waarom? Deze week Bert Bolkenstein (49), tweede man achter directeur Jan Aalberts van Aalberts Industries.

„Ik geef gericht aan goede doelen. Ik heb een eigen stichting, ‘De Kootjes Fundatiën’, met drie fondsen. Ook mijn drie kinderen, die in leeftijd variëren van 16 tot 20 jaar, zijn daarbij betrokken. Ik vind het nuttig dat ze ook eens in aanraking komen met een wereld die er heel anders uitziet dan de onvoorstelbaar luxe omstandigheden waarin zij zelf verkeren.

„Een van de fondsen van de stichting houdt zich bezig met projecten in Afrika. In Kenia bouwen we scholen en in Zimbabwe houden we ons bezig met een waterproject dat er in voorziet dat de dorpsbevolking voldoende voedsel heeft. Ook steken we ons geld in kinderprojecten. Dat kan iets heel triviaals betreffen als een kind dat een bril nodig heeft, maar we ondersteunen ook jongeren bij het opzetten van een bedrijf.

„Ook zijn we actief op het gebied van dierenmishandeling. Mishandelde ezels, dansende beren. Ik heb wel het idee dat we via de stichting goed grip hebben op de zaken waar we ons geld aan uitgeven en ook redelijk kunnen overzien waar het geld blijft. Ik geef niet aan goede doelen waarbij je soms het ongemakkelijke gevoel hebt dat er wat achterblijft op plaatsen waarvoor het geld niet is bedoeld. Maar ik geef ook geld aan goede doelen waar iedereen aan geeft.

„Als je in goeden doen bent vind ik het normaal dat je anderen die minder fortuinlijk zijn daarin laat meedelen. Er komt een moment in je leven, althans zo is het mij vergaan, dat je je realiseert dat je niet alleen op de wereld leeft en het gevoel krijgt dat je meer voor anderen moet doen.

„Ik heb nu 17 jaar gewerkt bij Aalberts, maar ga in oktober wat anders doen. Misschien vertaalt zich dat in iets meer tijd voor de stichting. Nu gaat er voornamelijk vrije tijd in zitten, hoewel niet overdreven. Ook anderen houden zich bezig met het besturen van de stichting. Dat geld voor goede doelen fiscaal aftrekbaar is vind ik volkomen irrelevant en oninteressant. Daar denk ik niet eens over na.”

Marc Serné