Bejaarden voor bejaarden

Honderdduizenden Britten trokken de afgelopen jaren uit de multiculturele steden naar het platteland. Vaak zijn ze ouder dan 50 jaar. Maar de voorzieningen die zij nodig hebben, verdwijnen snel in de dorpen. Vrijwilligerswerk biedt soelaas. „De oudste vrijwilliger is de tachtig al gepasseerd.”

George Newsholme, een vriendelijke tengere heer van 85 jaar met zilverwit haar, valt een beetje uit de toon in het sobere dorpshuis van Staunton on Wye, een dorp in de groene heuvels bij de grens met Wales. De voormalige arts uit Birmingham, gekleed in een groene trui en wit poloshirt, is het enige mannelijke lid van de lokale bejaardenclub, die eens in de twee weken bijeenkomt. Bovendien zijn de meeste vrouwen geboren en getogen in de streek. Hij niet.

Maar op zijn leeftijd tellen andere dingen. Elk uitje is er op het moment een. „Ik rijd geen auto meer”, zegt hij turend door zijn brilleglazen. „Mijn vrouw wel, maar die begint helaas ook problemen met haar ogen te krijgen. Als ze niet meer kan rijden, weet ik waarachtig niet wat we moeten doen, want de winkel in het dorp is al tijden geleden dichtgegaan.”

Het leek zo’n mooi idee, toen hij een jaar of twintig geleden met pensioen ging. Lekker wonen op het platteland, waar het oude Engeland nog grotendeels intact was, in tegenstelling tot de steden die in hoog tempo een multicultureel karakter kregen. Niet meer de chaos van de stad met al haar verkeersperikelen en steeds verder versnipperde gemeenschap. Dank zij de auto bleef alles hoe dan ook binnen bereik. ‘Counter-urbanisation’, noemen sociale wetenschappers dit proces.

Zeker in dit jaargetijde is niet moeilijk te zien waarom menig stedeling valt voor de bekoring van het platteland. Met zijn slingerweggetjes tussen hoge hagen, oude vakwerkhuizen, zijn knoestige kerk omringd door oude grafzerken vol mos, sfeervolle pub, boomgaarden, bloeiende meidoorns en kwetterende vogels lijkt Staunton een plattelandsidylle. Het heeft bovendien nog naar grootstedelijke maatstaven betaalbare woningen en een klein gezondheidscentrum.

Honderdduizenden Britse stedelingen hebben zich de afgelopen decennia op het platteland genesteld. Niet alleen gepensioneerden, ook ouders met kinderen zijn in groten getale naar dorpen verhuisd. Nadat hun kroost weer naar de stad was vertrokken om opleiding af te maken of werk te vinden, bleven de ouders vaak in de dorpen plakken. Velen zijn gaandeweg zelf ouderen geworden.

„De Britse samenleving in het algemeen wordt ouder, maar de meest dramatische vergrijzing doet zich voor op het platteland”, zegt prof. Neil Ward, directeur van het Centrum voor de Plattelandseconomie van de universiteit van Newcastle. Het aantal mensen van 75 jaar en ouder groeide tussen 1993 en 2003 op het platteland ruim twee keer zo snel als in de steden, zo blijkt uit demografische gegevens. In lieflijke en daardoor zeer gewilde streken als het noorden van Norfolk en het westen van Dorset zullen binnenkort drie op de vijf mensen ouder dan 50 jaar zijn. Economisch gesproken betekent dit een stille revolutie. Zulke streken worden in hoog tempo afhankelijk van het ‘grijze pond’. De inkomsten uit pensioenen en verzekeringen voor de oude dag zijn er soms nu al hoger dan die uit arbeid.

Het Engelse platteland vertoont hiermee een heel ander patroon dan bij voorbeeld het Franse, dat op grote schaal wordt geteisterd door ontvolking. In de Engelse dorpen tref je echter nauwelijks leegstand aan. Deels komt dat door vermogende mensen uit de stad, die er een weekendhuis op na houden. In een pittoreske streek als de Cottwolds in het westen van Engeland wemelt het in de dorpen op zaterdag en zondag van de Londense import. Maar in de meeste dorpen gaat het om vaste bewoners. Als de huidige trend aanhoudt, wordt het er de komende jaren zelfs nog voller én duurder.

De nieuwkomers uit de steden, veelal goed opgeleid en behorend tot de middenklasse, drijven de huizenprijzen in veel dorpen op. Zelfs als ze willen blijven, hebben lokale jongeren daarom nauwelijks een kans om zelf aan woonruimte te komen. „Van mijn vijf zoons is er niet één in Staunton blijven wonen”, zegt de 76-jarige Margaret Barnfield, een gezette dame die als vrijwilliger werkt bij de bejaardenclub in het dorpshuis.

„Er zijn hier inderdaad nauwelijks nog jongeren”, bevestigt de 35-jarige Les Mogford, terwijl hij een pint tapt. Een jaar geleden namen hij en zijn vrouw de eeuwenoude New Inn, de enige pub van Staunton, over. Ook zij waren uitgekeken op het stadse leven in een voorstad van Manchester. De Mogfords hechtten er aan dat hun zoontje zou opgroeien in de gezonde omgeving van het platteland. „Maar nu is er ook al sprake van dat de school in Staunton dichtgaat. Dat zou echt het einde van dit dorp betekenen”, klaagt de waard.

Het voorzieningenniveau op het platteland heeft geen gelijke tred gehouden met de ontwikkeling van de bevolking. Integendeel, het aantal winkels, postkantoren, scholen en ziekenhuizen neemt gestaag af. „De meeste mensen doen hun boodschappen in supermarkten in de buitenwijken van de steden”, zegt Stephen Alambritis, woordvoerder van de FSB, een organisatie die het Britse kleinbedrijf vertegenwoordigt. „We verliezen zo’n 2.000 kleine bedrijven per jaar in dit land, waarvan 40 procent op het platteland.”

De 83-jarige Amy Hicks, een trouwe bezoekster van de bejaardenclub in Staunton, weet er alles van. Bijna 40 jaar woonde deze weduwe van een boerenknecht in Bredwardine, een dorpje enkele kilometers verderop. Toen sloeg het noodlot toe en gingen kort na elkaar het postkantoor en de enige twee winkels dicht. Dus restte Amy niets anders dan maar naar Staunton te verhuizen, een plaatsje dat ze goed kende omdat haar kinderen er op school waren geweest. „Ik was niet mobiel genoeg meer om in Bredwardine te blijven”, zegt ze, terwijl ze zich door het grijswitte haar strijkt. „Vroeger fietste ik nog wel, maar dat ging niet meer.”

Hicks, die haar hele leven lang nimmer genoeg geld bezat om zelf een woning te kopen, kreeg negen jaar geleden in Staunton een woning toegewezen, die bedoeld was voor minder draagkrachtigen zoals zij. „Ik ben nog steeds heel blij met m’n huisje”, zegt ze opgewekt. Maar ook hier zijn inmiddels het postkantoor en de laatste winkel verdwenen. Haar dochter uit de stad komt eens in de twee weken om te helpen. „Ik wil hier niet meer weg”, zegt Amy, „tenzij het echt niet anders meer kan.”

Dan spoedt Hicks zich naar een zijkamertje in het dorpshuis, want ze wil zich de kans niet laten ontglippen haar teennagels te laten knippen door een medewerkster van Age Concern, de hulporganisatie voor ouderen, die de coördinatie in handen heeft van de bijeenkomsten van de bejaardenclub in Staunton.

Paradoxaal genoeg is de beste hoop voor bejaarden zoals Hicks gelegen in hulp van andere bejaarden. De tijd dat 65-plussers worden beschouwd als afhankelijke mensen, is al lang voorbij. Menige gepensioneerde heeft na afsluiting van zijn carrière, dikwijls al ruim voor het 65ste jaar, nog een heel leven voor zich. Velen van hen zullen bovendien nog decennia lang fit blijven. Daarom spreken velen van een Third Age, een derde volwaardige levensfase na jeugd en werkzaam bestaan. Deze derde fase hoeft allerminst louter achter geraniums of aan de klaverjastafel te worden gesleten. Financieel zijn velen van hen binnen. Maar ze zoeken dikwijls naar een manier om hun ‘derde leven’ op een zinvolle manier te besteden. Steeds meer ouderen op het platteland werken daarom als vrijwilliger en steeds meer ouderen helpen andere ouderen.

Zo zijn er die andere bejaarden naar ziekenhuizen rijden of postkantoortjes helpen openhouden met hun vrijwilligerswerk. Er zijn mannen die als vrijwilliger een busdienst voor bejaarden helpen runnen en vrouwen die maaltijden helpen koken voor dagopvangverblijven. Weer anderen helpen bij het organiseren van sociale bijeenkomsten zoals die in het dorpshuis van Staunton.

„Ik geloof echt dat het patroon voor de toekomst is dat bejaarden bejaarden helpen”, zegt Arthur Maughan, een dynamische bejaarde van 69 jaar. Onder zijn voortvarende leiding is het voorheen nogal kwakkelende buurthuis van Lanchester, een dorp ten zuidwesten van Newcastle, nieuw leven ingeblazen.

In het opgeknapte centrum, waarin in een ver verleden een school was gevestigd, worden nu onder meer gymnastieklessen gegeven voor ouderen. „We hebben er net weer een nieuwe deelnemer bij, een man van 84 jaar”, lacht Maughan, die al op zijn 51ste met pensioen ging als manager bij een waterleidingbedrijf. Ook kunnen ouderen zich in het buurthuis onder leiding van deskundige vrijwilligers bekwamen in het gebruik van computers.

„De vrijwillige sector wordt steeds belangrijker voor het platteland”, bevestigt Nick Le Mesurier, wetenschappelijk medewerker van de Universiteit van Birmingham en een deskundige op dit terrein. „Lokale vrijwilligers zijn vaak mensen die weten waar het aan schort in een dorp, die een veel beter inzicht hebben in de plaatselijke samenleving dan buitenstaanders en die het vertrouwen genieten van de lokale ouderen.” Volgens Le Mesurier kan het belang van het vrijwilligerswerk moeilijk worden overschat. „Simpel gezegd zit het zo: mensen die sociaal goed zijn geïntegreerd leven langer.”

Ook voor de overheid is het vrijwilligerswerk in veel opzichten een uitkomst. Het ontbreekt haar vaak aan financiële middelen voor uitgebreide dienstverlening aan bejaarden. De vrijwilligers kunnen met hun gratis arbeid en deskundigheid in lacunes voorzien. Daarbij is echter nog steeds geld van de overheid nodig, voor zaken als transport, gebouwen en onderhoud van zulke faciliteiten. Op dat punt laat de Britse regering de ouderen echter nog wel eens in de steek.

„Het is niet moeilijk een aanmoedigingssubsidie te krijgen”, aldus Le Mesurier. „Maar meestal drogen de fondsen daarna weer snel op en wordt het moeilijk allerlei nuttige activiteiten voor ouderen gaande te houden.”

Vrijwilligers werken op de meest uiteenlopende plaatsen. Kate Lawrie, een hartelijke dame van 66 jaar, werkt bijvoorbeeld een dag per week in een winkel van het Britse Rode Kruis in het centrum van Lanchester. De zaak is schuin tegenover een apotheek gevestigd, waaruit de ene bejaarde na de andere stapt. In de winkel zijn tweedehands kleren van goede kwaliteit te krijgen. Met 25 andere vrijwilligers, allen vrouwen, helpt Lawrie de winkel runnen. „De meeste klanten hier zijn zelf ook bejaard en zijn vaak uit op een koopje omdat ze niet zo’n dikke portemonnee hebben”, zegt ze, nadat ze een dame van middelbare leeftijd aan de kassa heeft geholpen. „Ik vind het fijn dit werk te doen. Ik help er mensen mee en het is nog gezellig ook.” Lawrie is daarnaast nog actief als lid van een schoolbestuur.

De 59-jarige Linda Burt, zelf overigens bezoldigd, coördineert de vrijwilligers, die drie dagen per week helpen in een verpleeghuis voor ouderen, die de rest van de week thuis verblijven. Het gaat om tien ouderen uit Lanchester en omgeving die aan levensbedreigende ziektes lijden, zoals kanker en longaandoeningen. Zulke gevallen zijn talrijk in dit deel van Engeland omdat veel mensen hier hebben gewerkt in kolenmijnen en staalfabrieken.

„We maken gebruik van de diensten van zo’n 80 tot 100 vrijwilligers”, aldus Burt. „Net als de patiënten komen ze hier allemaal uit de buurt en ze hopen in hun werk vooral voldoening te vinden.” Veel mannen halen en brengen patiënten, terwijl de vrouwen meer helpen bij de opvang in het verpleeghuis. De oudste vrijwilliger is de 80 al gepasseerd.

Burt denkt dat ze zelf over enkele jaren ook het vrijwilligerswerk zal ingaan. „Het is erg Brits om dat te doen. Veel van mijn vrienden hebben het er ook over dat ze zoiets willen gaan doen, als ze eenmaal met pensioen zijn. Je bent goed in iets, bent daarin getraind. Dan is het eigenlijk een enorme verspilling van talent en deskundigheid om daar van de ene op de andere dag mee te stoppen.”

Is het inderdaad zo Brits om als vrijwilliger te werken? Markus Held van het Europese Centrum voor Vrijwilligers in Brussel bevestigt dat de beschikbare cijfers inderdaad suggereren dat de Britten zo’n 25 tot 40 procent meer vrijwilligerswerk doen dan respectievelijk de Duitsers of de Fransen, al ontbreken harde statistische gegevens. Zeker in de categorie 50+ scoort Engeland goed. Uit een recent onderzoek van de universiteit van Newcastle bleek dat vijf miljoen Britten uit die groep vrijwilligerswerk doen.

Vooral goedopgeleiden hebben het platteland iets te bieden. Mensen die bij voorbeeld in de informatietechnologie hebben gewerkt of een loopbaan als jurist of manager achter de rug hebben. „Juist zulke mensen kunnen een cruciale bijdrage leveren aan het opzetten en besturen van vrijwilligersorganisaties op het platteland”, stelt Le Mesurier. Goedopgeleide ouderen bouwen hun loopbaan vaak heel geleidelijk af. Sommigen zetten hun eigen adviesbureau op en blijven daarmee van belang voor de lokale economie. Oudere mensen zijn meestal succesvoller in het oprichten van nieuwe bedrijfjes dan jongeren, zo blijkt uit onderzoek.

Net als in vroeger tijden kan het vrijwilligerswerk zich niet geheel onttrekken aan de klassenverschillen, die Groot-Brittannië vanouds kenmerken. „Het bevat een element van liefdadigheid”, stelt Le Mesurier. Het zijn doorgaans de beter gesitueerden, met name vrouwen, op het platteland en de beter geschoolden, die als vrijwilliger werken, terwijl de lager geschoolden vaker de ontvangende partij zijn. Die laatsten hebben vaak zwaar fysiek werk moeten doen om aan de kost te komen en hun financiële reserves zijn niet groot. Ouderen, die zich een auto, particuliere ziekenzorg en een tuinman kunnen veroorloven, hebben minder gauw hulp nodig.

De integratie van de nieuwe en de oude ouderen verloopt echter ondanks de inspanningen van vrijwilligers niet altijd even soepel. De nieuwe ouderen in het dorp laten vaak de oude ouderen links liggen en omgekeerd. „Vroeger kende ik iedereen in het dorp”, zegt Margaret Barnfield. „Maar als ik nu over straat loop, kan ik niet langer zeggen wie hier woont en wie niet.”

Dat blijkt ook bij de bejaardenclub van Staunton, waarvan vooral ouderen lid zijn die al heel lang in de streek wonen. De nieuwe ouderen hebben er geen belangstelling voor.

„Mag ik even uw aandacht”, roept Margaret Barnfield bij het begin van een bijeenkomst van de club in het dorpshuis. „Verdrietig genoeg hebben we sinds onze vorige bijeenkomst twee leden van onze groep verloren. Mevrouw Taylor is overleden en mevrouw Everett van 101 jaar is naar een verzorgingshuis verhuisd.”

Gelaten ontvangt de groep het nieuws. Toen ze in 1992 begonnen, waren er nog 25 leden. Nu zijn er nog elf over, allen boven de tachtig. Acht dames en George Newsholme zijn vandaag komen opdagen. Van de resterende twee is er één dement en een ander bijna blind. „Ik denk niet dat we die hier nog veel zullen zien”, aldus Barnfield. „De vraag is hoe lang Age Concern dit eigenlijk nog wil laten doorgaan.”

Zo wil de ironie dat alweer een voorziening op het platteland met de ondergang wordt bedreigd, niet door een tekort aan vrijwilligers, maar door een tekort aan bejaarden.