Zuipen, zwelgen en brassen

De opera ‘Bacchus, Ceres en Venus’ was de tweede opera met een Nederlandse tekst, maar de eerste die ook daadwerkelijk werd uitgevoerd. Na bijna 320 jaar komt het Festival Oude Muziek met een reconstructie.

De tweede Nederlandse opera, uitgevoerd in 1687 in Amsterdam, had een serieuze klassieke titel: Bacchus, Ceres en Venus. Maar dat het Grieks-mythologische stuk niet erg zwaarwichtig was, blijkt uit de ondertitel: ‘Opera op de zinspreuk Zonder spijs en wijn kan geen liefde zijn.’

Geen wonder dat deze opera in het toen nog zo calvinistische Amsterdam een groot publiek succes was. Er waren twaalf opvoeringen in de toenmalige Stadsschouwburg aan de Keizersgracht. Bijna vijftig jaar eerder was die schouwburg van Jacob van Campen geopend met Vondels treurspel Gysbrecht van Aemstel over de smadelijke inname van Amsterdam rond het jaar 1300 door provincialen, de Kennemers en Waterlanders. Inmiddels was Amsterdam uitgegroeid tot de belangrijkste handelsstad ter wereld, met op de Dam het grootste stadhuis op aarde, ook van Van Campen.

Tegen het eind van de Gouden Eeuw gaf de Hollandse opera van tekstdichter Govert Bidloo en componist Johan Schenck een hedonistisch beeld van het leven in tijden van welvaart, overvloed en wellust. De oude Griekse goden zijn er zelfs vermoeid van. Bacchus, de god van de wijn, en Ceres, de godin van het voedsel, zorgen onvoldoende voor een ruime toevoer van spijs en drank. De aardse stervelingen beginnen daarom een seksstaking, zij zweren de liefde af. Dat wordt niet getolereerd door de liefdesgodin Venus en de oppergod Jupiter. Wijn en spijs komen tenslotte opnieuw in overvloed ter beschikking en zo kan de liefde weer opbloeien. De opera viert dat aan het slot met zang en dans:

Nu mag de aarde vrolyk weezen

Zonder voor de twist te vreezen

Wyl de Vader van den wyn

En de vrugtbr’e Veldgodin

Met de Moeder van de min

Voor altyd vereenigt zyn.

De voorstelling van Bacchus, Ceres en Venus moet op het toneel weinig aan de verbeelding hebben overgelaten. Louis Grijp, de Utrechtse hoogleraar in de musicologie die de opera met zijn gezelschap Camerata Trajectina nu in het Festival Oude Muziek voor het eerst in bijna 320 jaar weer opvoert, meent zelfs dat de rol van Venus werd gespeeld door een naakte zangeres. Volgens Grijp werden rollen als van Venus voordien in Amsterdam gespeeld door mannen. „Van acteur Jan Meerhuysen werd zelfs gezegd dat hij zo knap als Venus was verkleed, dat men hem moest betasten om het verschil met een echte vrouw te kunnen vaststellen.”

En al het overdadige gesmikkel en gezuip, waarover Govert Bidloo in zijn teksten dichtte, moet er ook letterlijk liederlijk hebben uitgezien. Er werd daarop dan ook een spotdicht gemaakt:

Wilt gy een Op’ra zien van zuipen, zwelgen, brassen

Vol Bachenaal-spel en baldaadige grimassen?

Gij vindt het alderbest in Bidloo’s huis verbeeld

Daar hij voor Bacchus en zijn Wyf voor Venus speelt.

Govert Bidloo was in

Amsterdam een opvallende en eigenzinnige persoonlijkheid met een nogal kort aangebonden temperament dat weinig tegenspraak duldde. Hij was een arts en chirurgijn, hij voerde autopsieën uit en publiceerde de anatomische atlas Ontleding des menschelijken lichaams, geïllustreerd door Gerard de Lairesse. Later werd hij professor in Leiden en lijfarts van stadhouder Willem III.

Twee jaar voor de uitvoering van zijn opera Bacchus, Ceres en Venus was Bidloo benoemd tot leider van de Schouwburg. Hij voerde daar een opzienbarend artistiek beleid met visueel spectaculaire voorstellingen. Zo bracht hij Vondels drama Faëton met kunst en vliegwerk, waarbij Faëton, de zoon van de zon, hoog boven het podium in volle vlucht werd getroffen door de bliksem.

Govert Bidloo voegde in zijn bewerking van Faëton niet alleen muziek en koren toe aan Vondels stuk, maar ook dans. Bidloo was daarmee omstreden, legt Grijp uit. Er ontstond in 1685 tussen de rekkelijken en de preciezen een theateroorlog met pamfletten en schimpdichten. Op oudejaarsavond sloeg Bidloo terug en zette zijn tegenstanders voor gek met het hekelspel Midas, Koning Onverstand.

De ensceneringen van Bidloo moeten, nog meer dan eerder het geval was, bij de Amsterdammers de suggestie hebben gewekt dat men keek naar bewegende tableaux vivants, naar levende versies van classicistische en barokke uitbeeldingen en schilderijen van Goltzius en Rubens met Grieks-antieke onderwerpen en schaars geklede personages. Het toneel en de schilderkunst beïnvloedden elkaar in de Gouden Eeuw wederzijds. Het naturalisme werd zowel op het podium als op het doek volgens dezelfde theatrale uitgangspunten geënsceneerd. De schilder Samuel van Hoogstraten raadde zijn collega’s dan ook aan goed te kijken naar de natuurlijkheid van acteurs.

Die vrijzinnige en uitbundig brede artistieke ontwikkeling die Bidloo in de Schouwburg praktiseerde stond in Amsterdam tegenover een strenge afwijzing van verwijzingen naar religieuze of actuele politieke en maatschappelijke zaken. Die kwam op last van het Amsterdamse stadsbestuur na de heropening van de Schouwburg in 1677 na een vijf jaar durende sluiting wegens de oorlog met Frankrijk die begon in het ‘Rampjaar’ 1672.

Dat verbod op het aan de orde stellen van omstreden kwesties leidde ertoe dat het in 1680 niet kwam tot de uitvoering van de eerste Nederlandse opera De Triomfeerende Min. Het stuk ter viering van de Vrede van Nijmegen (1678) was een ‘Vredesspel, gemengt met zang en snaarenspel, vliegwerken en balletten’ op muziek van Carel Hacquart. Bij de boekuitgave daarvan klaagt tekstdichter Dirck Buysero, ook de schepper van de klucht De bruiloft van Kloris en Roosje, dat het niet tot uitvoering van zijn opera was gekomen wegens „aanstotelyckheden” en de grote kosten.

Een aanstotelijkheid kan geweest zijn dat Buysero in zijn stuk stadhouder Willem III had genoemd. De prins was niet geliefd in Amsterdam want de rijke, zelfbewuste stad had weinig op met Haagse bemoeienis. Bidloo zelf had in 1678 een soortgelijk stuk geschreven, het vertoningsspel Op de Vrede. Maar de toekomstige hofarts van de prins was zo verstandig daarin niet Oranje ter sprake te brengen.

En zo werd Bidloo’s Bacchus, Ceres en Venus, de tweede Nederlandse opera, de eerste Nederlandse opera die ook daadwerkelijk werd uitgevoerd. De tekst van de opera werd in zijn geheel uitgegeven in Amsterdam. Van de muziek, gecomponeerd door de Amsterdamse gambaspeler Johan Schenck, verscheen slechts een deel onder de titel Eenige gezangen uit de opera van Bacchus, Ceres en Venus. Het zijn achtentwintig airs maar van hoeveel andere de muziek verdween is onduidelijk, omdat in de tekst van Bidloo niet duidelijk is wat moest worden gesproken en wat werd gezongen.

Louis Grijp heeft de verloren muziek voor een deel gereconstrueerd en aangevuld uit een andere bundel van Schenck. Andere muziek voor recitatieven heeft Grijp zelf gecomponeerd naar het voorbeeld van soortgelijke stukken uit Schencks zetting van het Hooglied. En het slotkoor klinkt nu op een lied uit Schencks Koninklyke harpgezangen uit 1694. Dat sluit allemaal aan bij de 17de eeuwse theaterpraktijk. Er werd vaak gebruik gemaakt van bestaande melodieën. Zo kwam één lied uit Bacchus, Ceres en Venus terecht in De bruiloft van Kloris en Roosje. En zo heeft Grijp ook al jaren geleden tien van de elf de muzikale nummers uit het muziektheaterstuk Granida (1605) van Hooft kunnen terugvinden door met de computer het metrum van teksten en liederen te vergelijken.

Het muzikale deel van Bacchus, Ceres en Venus is zojuist al op cd verschenen. De voorstelling van de opera, die zondag wordt uitgevoerd op het Festival Oude Muziek in Utrecht en daarna wordt herhaald in Amsterdam, toont niet alleen de theatrale handeling van het stuk maar brengt ook Govert Bidloo zelf op het podium als de regisseur van zijn eigen opera.

‘Bacchus, Ceres en Venus’ door Camerata Trajectina o.l.v. Louis Grijp: 27 aug. 13 uur MC Vredenburg Utrecht. Res.: 030-2314544; 13, 14 sept. 20.30 uur Muziekgebouw aan ’t IJ Amsterdam. Res.: 020-7882000. De cd is verschenen bij Globe (6060).