Zelfspot op een zomerdag

‘Zelfspot op een zomerdag’ is de eerste aflevering van een nieuwe culturele column in Boeken. Onder de noemer ‘Woord & Wereld’ zullen drie auteurs afwisselend schrijven over boeken, andere kunsten en de wereld: Guus Middag, Bas Heijne en Jan Blokker.

Ik heb het niet zo op de zomer. Het leven valt stil, de winkels gaan dicht, de straten lopen leeg en de mensen verdwijnen. Er hoort een gevoel van dreiging bij, alsof de stad wordt leeggehaald. Een paar mensen zijn net op tijd gevlucht. Velen zijn al afgevoerd. Wie nu nog niet weg is, is verloren.

Het gevoel keert elk jaar terug. Het zal voor een deel de herbeleving zijn van de verveling van de lange eenzame doodstille snikhete zomerdagen van vroeger. Het is ook de herinnering aan wat ik bij anderen gelezen heb: ooggetuigenverslagen uit belegerde steden. De bommen vallen altijd in de zomer, in een verlaten straat, bij een strakblauwe lucht. Deze angstige oergedachte hoort erbij: de leiding is al gevlucht, nu is de weerloze stad hopeloos overgeleverd aan de vijand. Wachten op de barbaren. Soms kijk ik wel eens om de hoek, om te zien of ze er al aan komen. Als ze slim zijn, komen ze meteen. Binnen een uur is de stad opgerold en kunnen de soldaten de verlaten terrassen gaan bezetten, met de voeten omhoog, de buitgemaakte flessen op tafel, de mitrailleur schuin tussen de benen gestoken. Zo zal het gaan.

Het gevoel is sterker dan de rede. In die unheimliche sfeer neem ik vaak mijn toevlucht tot de gedichten van Joseph Brodsky. Daarin wordt een vergelijkbare sfeer beschreven. Het mag misschien niet, maar ik doe het vaak: gedichten lezen bij wijze van troost, om een gevoel van eenzaamheid te delen – en het zo kleiner te maken. ‘Summertime, the cities empty’, zo begint een gedicht. ‘Saturdays, holidays / drive people out of town.’ Het wordt leeg in de stad, en de avonden stemmen somber. ‘The evenings weigh / you down.’ En daar is ook meteen het gevoel dat een vreemd leger de zaak zo over zou kunnen nemen: ‘Troops could be marched in at even pace.’

Het is het begin van een gedicht uit 1977. Brodsky woonde toen, na zijn gedwongen vertrek uit de Sovjet- Unie, in 1972, alweer enkele jaren in Noord- Amerika. Hij schreef zijn gedichten nog in het Russisch, maar vertaalde ze al wel zelf in het Engels, met hulp van collega-dichters. Het gevoel van ontheemding zal zich bij de dichter in ballingschap heviger hebben aangediend op een warme zomeravond in een vreemde, leeggelopen stad. Hij probeert dan maar een vriendin te bellen, van wie hij weet dat ze nog in de stad is, maar dat gesprek gaat ten onder in wat gelach en een slechte verbinding – en dan geeft hij de moed op. Hij weet nu: ‘the city and the regime are fallen.’

Het gevoel is herkenbaar, en de gedachtegang ook, maar de conclusie is natuurlijk wat voorbarig, na dit ene mislukte telefoontje. Dat geldt ook voor de volgende constatering, in één moeite door gedaan, al even grappig: de verkeerslichten staan vaker dan anders op rood. Dat zul je altijd zien: zit het een keer tegen, dan zit ook meteen alles tegen. Geen afspraakje kunnen maken, wordt meteen de stad ingenomen, en dan staan tot overmaat van ramp alle verkeerslichten ook nog eens op rood.

Zo gaat het altijd, op eenzame zomeravonden. Dan maar de krant gepakt, om te zien of er in de stad nog wat te beleven valt. Ze spelen Ibsen, maar ‘Ibsen ligt zwaar op de maag’. Ze spelen Tsjechov, maar ‘Tsjechov staat tegen’. En dus gaat hij maar de straat op, rondzwerven, in de hoop zo zijn eenzaamheid en lusteloosheid te verdrijven.

Het verslag van zijn tocht krijgen wij te lezen. Ik zal niet proberen aan te tonen dat dit een goed gedicht is, als dat ooit al zou kunnen. Ik lees geen Russisch, dus ik kan niet beoordelen wat er in de vertaling, onder het toeziend oog van de dichter, verloren is gegaan. Toch krijg ik de indruk hier een gedicht van een geestverwant te lezen, met een herkenbaar gevoel voor de zwaarmoedigheid van zomeravonden en de herkenbare noodzaak tot zelfspot.

Brodsky neemt ons mee de straat op, voor zijn nachtelijke zwerftocht. Ik weet niet eens zeker of we ons in Amerika bevinden. Misschien wel in Moskou, of Istanboel. Hij vertelt wat er in ‘het westen’ te zien is: een gevaarlijk decor van rosse buurt en onderwereld, schoten en geweld. We belanden in een bar met zicht op een piramide van flessen; de aanblik ervan doet denken aan de skyline van New York. Of verwijst die piramide nu juist naar Egypte?

Daarna gaat het door in Oosterse sferen, met toespelingen op het spijkerschrift en op de profeet Mohammed. Het zou een tocht door alle culturen kunnen verbeelden, als tegenhanger voor de eenzaamheid in de uitgestorven stad. Maar de reis zou zich ook, minder symbolisch, uitsluitend kunnen afspelen in het benevelde brein van een kroegloper die in de loop van de nacht steeds meer de weg kwijtraakt in de vreemde stad.

Hij voelt zich dan misschien wel een grote veroveraar als hij om vier uur ’s nachts naar huis zigzagt, een nieuwe Hannibal op weg naar een nieuwe overwinning, maar dit is wat hij ziet als hij bij het pissen met uitpuilende ogen in de spiegel boven de wasbak kijkt: zichzelf. De grote veroveraar houdt de hand om zijn getrokken zwaard, denkt hij. Het zal in werkelijkheid wel zijn geslacht zijn. En dit is het enige dat er nog uit hem komt, in de laatste regel: ‘cha – cha – cha.’ De grote veldheer valt van zijn voetstuk, de dichter ook.

Dit is wat hij ons uiteindelijk mee te delen heeft, na omzwervingen door de culturen van oost en west: de naam van een dans, een paar loze klanken, met dubbele tong gesproken. Dit was ook het moment waarop ik in de lach schoot – om zoveel zelfspot, aan het eind van een lange klacht over de eenzaamheid van een balling. Dat is dus, naast de behoefte aan troost, nog iets wat ik zoek in poëzie, zeker op eenzame zomeravonden: dat je er om kan lachen. Het liefst beide tegelijk.