Zelfs de partijvoorzitter woont in een tentenkamp

Een dezer dagen moet de VN-Veiligheidsraad een besluit nemen over een nieuwe troepenmacht in Oost-Timor. Voorlopig proberen 2.000 voornamelijk Australische militairen de orde te handhaven.

Dili, 25 aug. - De buren in de Oost-Timorese hoofdstad Dili zijn twee Nieuw Zeelandse commando’s achter een stapel zandzakken. Stoere, onbekommerde jongens die van harde, snerpende rockmuziek houden. Als je ze vraagt wat ze hier doen blijven ze goeddeels onverstaanbaar – rock & roll gaat voor. Ergens valt de uitdrukking nation building Een woord dat iedereen hier gebruikt, zelfs president Xanana Gusmão. Hij beweegt zich met een paar buitenlandse lijfwachten door zijn kersverse republiek en heeft zojuist in zijn kantoortje, omgeven door wat krotten, rondscharrelende varkens en kippen, vastgesteld dat het weer wat beter gaat met zijn land.

Met veel fanfare ontstond in 2002 de nieuwe staat Timur Leste, onder leiding van de charismatische oud-rebellenleider Gusmão. De voormalige Portugese kolonie had een kwart eeuw Indonesische overheersing van zich afgeschud en per referendum, temidden van bloedige ongeregeldheden, voor onafhankelijkheid gekozen.

Eind 2005 zou het land op orde zijn, stelden de VN destijds in een powerpoint-presentatie voor de donorlanden. De meeste VN-militairen vertrokken al eerder en Oost-Timor werd het voorbeeld voor natievorming nieuwe stijl. Maar afgelopen april ging het helemaal mis. De jongste ongeregeldheden braken uit na werkweigering en ontslag van 600 soldaten van het Oost-Timorese leger. Zij vormden 40 procent van de hele troepenmacht. De ontslagen gingen om geld en bevorderingen, maar de Timorezen zagen bovenal discriminatie tussen oost en west. Sindsdien is het land opgezadeld met iets wat temidden van alle problemen nog ontbrak: een etnisch conflict.

Nadat tientallen doden waren gevallen, riep Oost-Timor in allerijl de hulp in van Australische troepen. Die zitten er nu – samen met Maleisiërs, Nieuw Zeelanders en Portugezen – met een geïmproviseerd mandaat. Overdag brengt hun aanwezigheid in elk geval rust. ‘s Nachts is dat anders; ook deze week brandden er weer huizen af. Sinds april bivakkeren 150.000 mensen in tentenkampen. Ze durven of kunnen niet naar huis, omdat hun huizen zijn afgebrand. Timor is vooral geblakerd.

Dit armste land van Azië heeft niets: geen munt, geen politie, geen leger, geen werk, zelfs geen taal. „Portugees en Tetum [een lokale combinatie met Maleisische en Portugese elementen, red.] zijn de officiële talen, Bahasa Indonesia en Engels de werktalen,” zegt een parlementariër zonder een spoor van ironie. De meesten spreken wel Bahasa, maar dat herinnert aan de brute bezetter. Portugees en Engels spreekt bijna niemand.

De 46-jarige voorman van de regeringspartij, Antonio Cardozo, is een aimabel man. Hij heeft in de jungle gestreden tegen de Indonesische bezetter, heeft gevangen gezeten, weet wat het is om gemarteld te worden en verhaalt uitvoerig over het enthousiasme en de feestelijkheden van vier jaar geleden. En hoe gemakkelijk toen de honderdduizenden doden van de laatste 25 jaar even konden worden vergeten nu de vrijheid was gekomen. Aan het eind van zijn verhaal zegt Cardozo gegeneerd: „Sorry dat ik u niet thuis uitnodig. Mijn huis is afgebrand, want ik kom uit het oosten. Ik zit ook in een tentenkamp.”

Iedereen is het er over eens dat de 3.000 VN-manschappen destijds veel te vroeg uit Oost-Timor zijn vertrokken. „Ik heb dat in 2002 al gezegd”, vertelt de Nobelprijswinnaar van 1996 en sinds kort ook premier, José Ramos-Horta. „De VN hebben het onderschat”, oordeelt het hoofd van de nu te verwaarlozen maar binnenkort weer grote VN-macht, de Japanner Sukehiro Asegawa. „Sinds het einde van de Koude Oorlog is er altijd pressie in zulke gevallen om snel alle onderdelen van een democratie in te voeren onder de titel natievoming”, vertelt hij. En zodra grondwet, parlement, rechterlijke macht, leger en politie er zijn, is dat klaar. Vooral de Amerikanen wilden terugtrekking, omdat ze vooral torenhoge VN-budgetten op zich zagen afkomen. Ook roken ze een geur van bureaucratische corruptie. Nu dwingt de straat af dat er nieuwe tropeen gestuurd worden.

De statistieken zijn verwarrend, maar behalve wat landbouw is er niets op het eiland. De werkloosheid is naar schatting 50 procent. Op elke straathoek hangen verveelde jongens. Sommigen proberen aan de nieuwe kolonie westerse hulpverleners telefoonkaarten of sleutelhangers te verkopen. Als een Australische patrouille – hardrock op de speakers – is verdwenen, houdt alleen Jezus nog een oogje in het zeil. Die staat in dit intens katholieke land in kleine en grote formaten op de straathoeken.

Met wat geld van een katholieke stichting organiseert een enthousiaste jongeman, Natalino, voetbalwedstrijden in een vluchtelingenkamp. Het idee is dat jongens uit het kamp op een stoffig veldje een partijtje spelen tegen de jongens daarbuiten, die anders misschien stenen het kamp ingooien. Meisjes geven giechelend commentaar langs de imaginaire lijn. Het stuifzand verbroedert.

Maar na afloop gaat de puber Rosario in zijn verwassen Ajax-shirt weer aan de slag aan de overkant van de straat. Hij schuurt kleine ijzeren pijltjes, “ambon-pijltjes” heten ze. Het ziekenhuis krijgt elke nacht nieuwe patiënten uit wie de pijltjes operatief verwijderd moeten worden. Het ijzer met weerhaak boort diep in het lichaam. Rosario beaamt dat het een leuk spelletje voetbal was. „Maar als de jongens uit het kamp naar hun huis terugkeren, schieten we ze weg”, zegt hij. Zijn wijk ligt een paarhonderd meter van het tentenkamp verwijderd en aan het eerste huis hangt sinds een paar dagen een bord: ‘Deze buurt herbergt geen oosterlingen meer.’