Wie houdt de clans uit elkaar?

Michael Fry: Wild Scots. Four hundred years of Highland history. John Murray, 378 blz. €43,–

Wie alleen de eerste pagina’s gelezen heeft van Michael Fry’s nieuwe boek over de Schotse Hooglanden zou kunnen denken dat het om een historische roman gaat. Laat op de middag van 26 maart 1603, zo staat er, klopte een eenzame ruiter op de deuren van het paleis in Edinburgh. Toen hij zijn naam zei, Sir Robert Carey, wist de wacht meteen wie hij was en bracht hem bij de koning, James VI, voor wie hij knielde.

Maar al snel is het uit met de romanstijl. James VI van Schotland is dan James I van Engeland geworden – zoals te verwachten was toen koningin Elizabeth I op sterven lag. Hij vertrekt naar Londen om daar zijn beide koninkrijken te besturen. En dat viel niet mee. De Lowlands, Zuid-Schotland en de oostelijke kuststrook waren betrekkelijk toegankelijk en regeerbaar van een afstand. Maar in de Highlands, het noorden en het westen, drong het gezag van Edinburgh zelden door, nog minder als het eerst uit Londen moest komen.

In de Highlands woonden de Wild Scots, zoals Fry ze noemt in zijn titel, die niet doorlopend van toepassing is op hun geschiedenis van 1603 tot nu. In de 17de eeuw konden ze zo aangeduid worden, omdat ze toen weinig acht sloegen op het centrale gezag en zich lieten leiden door de hoofden van hun clans, die geen georganiseerd samenwerkingsverband kenden. Sommige clans onderhielden gewoonlijk goede relaties, vaak ontleend aan verwantschap: MacDonalds met elkaar, Mackenzies met elkaar, Campbells met elkaar. Anderen waren af en aan in vechtpartijen verwikkeld, vaak veroorzaakt door veediefstallen, wat een specialiteit van ze was. Hun stijl van vechten kon als wild worden aangeduid , vooral in hun gevreesde highland charge, waarin zij brullend van een helling afstormden en inhakten op alles wat vijand en familie van vijand was.

Ze waren niet voortdurend zo in actie, want dan zou er geen Hooglander in leven zijn gebleven. Maar ze waren het vaak genoeg om Fry tot de titel van zijn boek te inspireren en ze negeerden gewoonlijk de wensen van het gezag in Londen tot halverwege de 18de eeuw.

In 1745 versloegen bij Culloden aan de rand van de Highlands de Engelse troepen een legertje dat bijeengebracht was door de kleinzoon van James II, die de troon wilde terugwinnen waar zijn grootvader in 1688 van afgestoten was door zijn Hollandse schoonzoon Willem III. Na een bloedbad op het slagveld zette de Engelse bevelhebber de hertog van Cumberland, zoon van koning George II, zich aan de taak om een eind te maken aan het wilde leven van de Hooglanden. Hij was even hard als de Schotten, en een stuk machtiger. Toen hij na een jaar zijn opdracht uitgevoerd had kon gezegd worden dat de oude Hooglandse levenswijs onderdrukt was. Hij had de bijnaam Butcher Cumberland verdiend.

Daarmee was de wilde inslag in de Schotse natuur niet uitgeroeid. Schotse regimenten – de Black Watch als het meest vermaarde – genoten in de 18de eeuw en later een hoge reputatie voor hun vechtlust in het Britse leger. Sprekende voorbeelden daarvan geeft Fry in zijn beschrijving van de actie door de Sutherland Highlanders bij hun verovering van een Indische stad in de opstand van 1857. In vier uur verloren zij maar 76 officieren en manschappen en doodden tweeduizend opstandelingen. Een van de Schotten bekend als Quaker Wallace doorstak twintig Indiërs met zijn bajonet en declameerde daarbij passages uit Psalm 116: ‘De Heer is genadig en rechtvaardig, / onze God is een God van ontferming, / de Heer beschermt de eenvoudigen, / machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.’ Het Hooglandse aanzien als killers – niet een status die in de Nederlandse traditie respect geniet – was te vergelijken met dat van de Gurka’s, de onvolprezen Indische huurtroepen.

In twee van hun rollen,een vroege en een latere, kunnen de Hooglanders dus met recht als wildemannen worden voorgesteld. Hun leven thuis, als zij geen militair waren, heeft na het uiteenvallen van het clan-systeem zelden een wilde allure gehad. De meesten van hen waren crofters, kleine boeren die een stukje land pachtten. Het bestaan was armoedig, behalve soms in oorlogstijd, wanneer de samenleving hun producten harder nodig had. Soms werden zij van hun land afgezet omdat de eigenaar er iets anders mee wilde doen, of omdat zij hun pacht niet konden betalen. Dan emigreerden zij vaak naar Amerika, ook niet voor hun plezier, al werd het iets minder moeilijk in de tweede helft van de 19de eeuw toen hun al veel landgenoten waren voorgegaan.

Er bleven nog altijd veel ploeterende boeren over op het oude land, dat er niet vrolijker en ook niet wilder van werd. In de 20ste eeuw zijn pogingen gedaan om industrieën in de Hooglanden op te zetten. Daar kwam weinig van terecht , zoals gewoonlijk in afgelegen gebieden. En met de oliewinning in de Noordzee en de ontwikkeling van Aberdeen ging het na een tintelend begin ook moeizaam. Terwijl er geen kans meer was op wild leven kwam er geen voorspoed voor in de plaats, tenminste niet vergelijkbaar met de zuidelijke delen van het Verenigd Koninkrijk.

Fry weet er alles van, iets te veel zelfs. Zijn boek had meer kunnen betekenen voor buitenstaanders en buitenlanders als hij meer afstand genomen had: meer overzicht had gegeven, en een deel van de namen en de incidenten had weggelaten die de pagina’s overladen. Schotten zijn toch al altijd moeilijk uit elkaar te houden omdat de helft van hun namen begint met Mac, waar vroeger ter verduidelijking de naam van hun dorp of streek aan werd toegevoegd: de Mackenzies van Cromarty, de Mackenzies van Gairloch. de Mackenzies van Rosehaugh. Wie enigermate vertrouwd is met Schotland komt dan al snel in de verleiding om die plaatsen op de kaart op te zoeken en dan maar weg te dromen bij herinneringen aan het ruige landschap en de grillige wolkenformaties. Een landschap in een verdraaglijk klimaat dat heel goed een grotere toestroom van caravans zou kunnen gebruiken, totdat het ook daar weer volgelopen is.