Wat komt, komt meestal te laat

Voor zijn 18de-eeuwse stadsroman heeft Maarten 't Hart zijn toevlucht gezocht tot pompeuze, Frans georiënteerde schrijftaal. In een verrassende mengeling van gewone en hoogdravende taal spelen zich in Maassluis drama's af, in de liefde, en in de kerk.

Maarten ’t Hart: Het psalmenoproer. De Arbeiderspers. 288 blz. € 18,95

Hoeveel schrijvers zullen er zijn die hun romanfiguren in een enkele oogopslag pijpestrootjes, tandjesgras en hazestaartjes laten herkennen? Of vol welbehagen het gescharrel laten zien van knoeten, hoedjes, grillen, strandjes, witvodden en slikmussen? Of zich vermeien in het gefladder van schuifuit, stuntel of witvleugelmoeraszwaluw? In Nederland is dat er waarschijnlijk maar één: Maarten ’t Hart. Of is hij de enige van wie we, ook na 35 jaar schrijverschap, zoveel biologische schoolmeesterij kunnen verdragen? Dat zou ook kunnen.

Overigens is Het psalmenoproer, waarin bovengenoemde planten en dieren voorkomen, een stads- en geen plattelandsroman en draait het veel meer om mensen en hun vaak sinistere beweegredenen dan om de natuur. Zijn vorige roman, Lotte Weeda (2004) speelde zich af in Monward, een omzetting van Warmond, waar ’t Hart woont. In Het psalmenoproer keert hij terug naar een nog vertrouwder oord: Maassluis, maar dan het Maassluis van twee eeuwen geleden. Onderwerpen die aan de orde komen: de trekvaart, de neergang van beug- en haringvisserij, de troebelen rondom de invoering van de nieuwe psalmberijming, de heerschappij van schout en schepenen, de kloof tussen arm en rijk, de strijd tussen prinsgezinden en patriotten, de vingeroefeningen van de jonge Mozart in een hotel in Den Haag en een ontmoeting met keizer Napoleon.

Een historische roman dus, – eentje van het levendige en avontuurlijke soort. We maken kennis met zekere Roemer Stroombreker. Als reder en later als schepen en burgemeester maakt hij deel uit van de plaatselijke aristocratie. ’t Hart baseerde zich op diverse historische bronnen, al zal hij aan het overgeleverde feitenmateriaal het zijne hebben toegevoegd. Het is namelijk opvallend hoeveel gelijkenis de sympathieke hoofdpersoon vertoont met zijn twee eeuwen jongere biograaf: de haviksblik op alles wat groeit en bloeit, het fotografische geheugen, de afkeer van roken (zodat elk ‘smuigerdje’ van een gast in de tuin moet worden opgestoken), het steeds terugkerende nachtelijke gepieker en de bijbehorende slapeloosheid, de ergernis over ‘beuzelpraat’ in de bijbel. Roemer kan zich, net als ’t Hart, enorm opwinden over bijbelverhalen die onmogelijk zijn, wat tot komische uiteenzettingen leidt. Hoe kan één man, zoals in 2 Kronieken vermeld staat, op één dag 120.000 mensen doodslaan? Hoe heeft Noach al die ontelbare dieren op zijn Ark kwijt gekund? En waarom zette God ooit een appelboom neer in het Paradijs? Na lang peinzen komt Roemer tot de volgende, enigszins godslasterlijke slotsom: ‘Eva’s misstap werd voorafgegaan door een dubieuze aanplant, die het vergrijp had uitgelokt.’ ’t Hart gaat nog net niet zo ver om Roemer twijfel in te blazen over het bestaan van ‘de Algenoegzame’.

Het enige grote verschil tussen schrijver en reder is dat ze niet van dezelfde komaf zijn. ’t Hart zou naar 18de-eeuwse maatstaven, als zoon van een doodgraver, waarschijnlijk tot ‘het grauw’ hebben behoord, en mogelijk als ‘prikkenbijter’ naar zee zijn gestuurd op jeugdige leeftijd. Maar daar staat tegenover dat ’t Hart zijn reder ruimschoots voorzag van sociaal meegevoel, waardoor hij oog heeft voor de noden en behoeften van de vissers die uitvaren op zijn ‘hoekers’ en ‘buizen’. Zo staat hij bijvoorbeeld oogluikend toe dat er gesmokkeld wordt. Hij trouwt weliswaar op stand, met redersdochter Diderica, maar alleen omdat zijn moeder dat wil en hij niet het lef heeft om er tegenin te gaan. Heimelijk blijft hij verliefd op de mooie, roodlokkige nettenboetster Anna, afkomstig uit de achterbuurt van Maassluis. Al even heimelijk heeft hij later met haar een zoon, die niet wil deugen. Officieel blijft hij kinderloos omdat hij met Diderica de ‘vleselijke conversatie’ nooit op gang heeft weten te brengen wegens de vislucht die haar omgeeft.

In hoeverre ’t Hart de 18de eeuwse spreektaal heeft weten te benaderen, is natuurlijk onbekend. Hij koos ervoor, zoals hij in zijn nawoord uitlegt, om zich te oriënteren op de ietwat pompeuze, Frans georiënteerde schrijftaal die men in die tijd bezigde. Het resultaat: een wonderlijke en ook nogal verrassende mengeling van hoogdravende en gewone taal. Aan de ene kant is er omfloerst sprake van het ‘procureren’ (verwekken) van een zoon, het ‘executeren’ (uitvoeren) van een concert en van het ‘soulageren’ (verlenen) van een jaarpremie. Aan de andere kant wordt de forsgebouwde Diderica botweg vergeleken met een ‘bovenlander’ en zelfs met ‘een sleperspaard met ontstoken hoeven’. Ik heb de indruk dat ’t Hart zich in dit boek meer dan anders heeft uitgeleefd, met kennelijk plezier. Soms barst hij uit in dichterlijk proza en heeft het over ‘het gramstorig grauw met hun griezelige grut’, liefst ook nog voorzien van ‘voddig pluimvee’, met daarboven ‘krassende kraaien’. Op andere momenten weet hij juist weer een gevoelige snaar te raken met soberder zinnen, waar geen woordenboek of rijmvondst aan te pas hoeft te komen, zoals wanneer Roemer weer eens wakker ligt omdat hij vreest voor de levens van zijn schippers. ‘Wat schoot je op met een som geld als een van je hoekers of buizen was vergaan? Daarmee kocht je de bemanning van je schepen nog niet terug.’

Een van de hoogtepunten van de roman, de titel zegt het al, vormt de kleurrijke episode van het psalmenoproer dat Maassluis vanaf 1775 in zijn greep houdt. Nadat eerst de nieuwe psalmberijmingen zijn ingevoerd, willen de kerkvoogden nu dat de psalmen wat sneller gezongen worden. Veel gelovigen zijn het niet eens met deze nieuwlichterij en bieden verzet. Eerst worden de kerkdiensten gesaboteerd, later komt het tot heuse onlusten. Een horde ‘rinkelrooiers’ (raddraaiers) gaat de bezittingen van de rijken in Maassluis met bijlen en ander gereedschap te lijf. De opstand wordt gebroken door een troepenmacht van de baljuw van Delft. Roemer kan zich niet afzijdig houden van de troebelen, hoe futiel hij de kwestie van het langzame of snelle zingen ook vindt, omdat zijn zoon erbij betrokken is.

Wat mij het meest zal bijblijven van deze roman, meer nog dan alle ‘combustiën’, hoe stemmig en amusant ook beschreven, is de gevoelsverwarring waaraan de held van ’t Hart ten prooi is. Hij vist steeds achter het net. Pas als zijn echtgenote dood is, ziet hij in dat hij haar te kort heeft gedaan. Pas als zijn zoon verdwenen is, bedenkt hij dat hij hem de waarheid had moeten vertellen over zijn afkomst. Pas als Anna eindelijk bij hem intrekt, ziet hij wat hij al die jaren zo deerlijk heeft gemist – en nu is het te laat, meent hij, om er nog echt van te kunnen genieten. Het leven is nooit zoals we het graag zouden hebben. Niet voor de armoedzaaiers en ook niet voor degenen die het ogenschijnlijk beter hebben getroffen. Dat lijkt mij de tragische, maar met veel verve uitgedragen boodschap van de roman. Zijn held heeft het zwaar, maar ’t Hart beweegt zich moeiteloos en monter naar de laatste bladzijde: als een vis in het Maassluise water.