Schlemiel en crimineel

Rudolf Lorenzen: Allesbehalve een held. Vertaald uit het Duits door Wil Boesten. De Arbeiderspers, 507 blz. € 34,95

’Ik ben echt een smeerlap… Mijn hele leven al voel ik me schuldig, mijn hele leven lang zal ik mezelf beschuldigen.’ Dronkemansgelal is dit, uitgekraamd op de voorlaatste bladzijde van Allesbehalve een held, een roman van Rudolf Lorenzen. Aan het woord is Robert Mohwinkel, een 30-jarige reder die zich uit wroeging over zijn door diefstal verkregen fortuin een stuk in de kraag drinkt.

Het heeft iets sympathieks dat Mohwinkel bedenkingen etaleert over de totstandkoming van zijn zakelijke successen. Dat duidt toch op een eerlijke inborst. Zou je denken. Helaas heb je Mohwinkel dan al anders leren kennen.

Eerder, op school in de jaren dertig, en in het begin van zijn loopbaan in de handel, leverde Roberts brave eerlijkheid hem nooit iets op. Sterker: in het overgrote deel van de roman bespot zijn omgeving hem om zijn schlemielige angstvalligheid. Het gedrein begint met een ouderpaar dat Robert middeleeuwse denkbeelden over de ordening van de maatschappij inprent. Wie als dubbeltje geboren wordt, wordt nooit een kwartje, in die trant. Robert, zo verwachten ze, zal altijd een loontrekker zijn, een employé die met een beetje geluk en veel opofferingsbereidheid misschien nog wel eens afdelingsleider kan worden in een klein bedrijfje driehoog achter in een doodlopend steegje.

Lorenzen schildert Robert Mohwinkel als een geboren prooi, die zich door elke rotzak van het kastje naar de muur laat sturen. Nooit heeft hij de moed om te protesteren; hoogstens zal hij zich extra onhandig gedragen en zo een taak verknallen, wanneer hij doorkrijgt dat hij misbruikt wordt. Een beetje plagen, meer is het niet. En het verandert zijn leven allerminst.

Dat uilenspiegelachtige saboteergedrag vertoont Mohwinkel vooral tijdens WOII. Hij slaagt er maandenlang in om marsorders verkeerd te interpreteren of gewoon naar eigen inzicht te veranderen en zo, treinreizend als een toerist, de wereld achter het oostfront te verkennen. De allerzwaarste gevechtshandelingen blijven hem door die trucjes bespaard, maar uiteindelijk belandt ook hij als krijgsgevangene in Siberië.

Na de oorlog behoort hij door een gelukje tot de eersten die weer naar huis mogen. Thuis, in het zwaar gebombardeerde Bremen, voegt Robert zich weer in de oude gewoontes van de standenmaatschappij. Eindeloos veel vernederingen doorstaat Robert, totdat hij tot het inzicht komt dat een stap omhoog op de maatschappelijke ladder slechts mogelijk is door conventies overboord te zetten. Hij moet het criminele pad op. Dat blijkt een gouden zet.

De glorieuze omslag voltrekt zich vijftig bladzijden voor het eind van de vijfhonderd bladzijden tellende roman, en binnen de kortste keren is de anti-held van Lorenzen een voorbeeldfiguur voor andere makelaars van het Duitse Wirtschaftswunder geworden.

De pretentieuze opzet van het boek met z’n overzicht van de nazi-jaren, de ondergang van het Duitse rijk én de wederopbouw van het nieuwe Duitsland herinnert aan Die Blechtrommel van Lorenzens schrijversvriend Günter Grass. Waar Grass de idiotie en de absurditeit van het leven in die periode het volle pond geeft, richt Lorenzen de schijnwerpers op de saaie banaliteit van de alledaagse burgerlijkheid.

Alles andere als ein Held verscheen net als Die Blechtrommel in 1959. Liefhebbers van Lorenzens kleine oeuvre wijten het aan deze gelijktijdigheid dat de schrijver zo lang op erkenning heeft moeten wachten; Grass stelde met zijn werk zo’n beetje de hele Duitse naoorlogse literatuur in de schaduw.

Maar de geringe weerklank, destijds, van Allesbehalve een held kan ook aan iets anders hebben gelegen: aan het gebrek aan humor. In contrast met Günter Grass vertelt Lorenzen futloos en bedaagd, in moedeloos makende spaghettizinnen die gestructureerd zijn met storende clichés en met overbodige voeg- en bijwoorden. Soms had ik het gevoel dat ik in een zwakke roman van Theodor Fontane verzeild was geraakt die een eeuw te laat uit het archief was opgeduikeld. Daarbij komt dat in de intrige iedere vorm van spanning ontbreekt en dat Lorenzen al net zo penibel schrijft als zijn hoofdpersoon denkt. In de vertaling stoort dat trouwens nog meer dan in het origineel; Wil Boesten had beter met vrije hand kunnen vertalen. Bij elke zin ronkt het Duits tergend door het Nederlands heen.

Komt puntje bij paaltje, dan doet Allesbehalve een held je gewoon te veel aan omringende literatuur denken. Ronduit dodelijk pakt dat uit door de overeenkomsten met het werk van de notulist van de zogenaamde Deutsche Chronik, Walter Kempowski. Die zal zich destijds na zijn Lorenzen-lectuur hebben voorgenomen om een vergelijkbaar verhaal eens wat levendiger te vertellen. Allesbehalve een held kan heel goed het concept hebben geleverd voor Kempowski’s meeslepende Tadellöser & Wolff-romans (1971-1978), in Nederland misschien wel het bekendst door de gelijknamige tv-films. Die films worden door de Duitse tv regelmatig opnieuw uitgezonden, en elke herhaling versterkt het gevoel van een weerzien met geliefde oude vrienden.

De succesvolle heruitgave in Duitsland van Lorenzens boek, een paar jaar geleden, is begrijpelijk gezien de toegenomen belangstelling voor het leed dat Duitsland zelf door de oorlog heeft geleden. De les die deze roman je leert is dat dat leed voor de massa’s der gedachteloze meelopers dik verdiend is geweest, maar dat het verdraaid weinig heeft uitgemaakt voor hun verdere ontwikkeling.