Samen tegen de poep

„Wij houden van uw hond, niet van zijn stront!”

„Deze straat is GEEN HONDENTOILET! RESPECT voor de bewoners!”

„Honden aan de leiband! Behoeftes op daartoe bestemde plaatsen!”

„Hondenpoep is STRAFBAAR!”

En een zelfklevend verbodsbord met een kakkende hond achter een rode streep.

Aan mensen met een depressie wordt wel eens aangeraden regelmatig met de hond te wandelen. Ik weet niet of dat zo’n goed idee is. Wanneer ik het doe, voel ik mijn endorfinegehalte soms dalen. De uitroeptekens worden als een kogelregen op je afgevuurd. Ik neem plastic tasjes met me mee en ruim daarmee alles netjes op. Vervolgens wandel ik een paar kilometer met een warm, mals tasje in de hand, tot ik eindelijk een vuilnisbak vind. Het mag niet baten.

Regelmatig word ik belaagd door mensen die vermoeden dat ik het niet zal opruimen. Er is een vrouw die zich dagelijks verstopt achter de balkonmuur op de tweede verdieping van een appartementengebouw. Als ik met mijn hond voorbij kom, springt ze tevoorschijn en schreeuwt ze: „Vuile schijthond!” Daarna rent ze naar binnen. Sinds de eerste keer dat ze mij op die manier in de buurt van een hartaanval bracht, houdt mijn hond zijn behoefte op tot hij het grasveld voor haar woning heeft bereikt. Bij wijze van protest, vermoed ik. Al is de vrouw in kwestie nogal extreem, zij behoort tot een aangroeiende groep hondenpoepgefixeerden, die het hun medemens behoorlijk lastig kunnen maken.

Je vraagt je af hoe het verspreiden van bovengenoemde leuzen precies in zijn werk gaat. Gaat zoiets uit van een bejaarde met een printer die een buurtcomité organiseert waar hij iedereen van zelfgemaakte posters voorziet? In welke mate dwingt hij zijn buren om zijn maaksels voor hun raam te hangen?

De laatste tijd doet men hier nogal zijn best om een Vrolijk Verenigd Vlaanderen te creëren. Via televisieprogramma’s worden mensen opgeroepen om samen dingen te doen. Samen een bloementapijt maken, samen met Vespa’s rijden, samen een palingfestival organiseren. Een tijdje heerste zelfs het absurde idee om een speldje te dragen waarmee we ons konden onderscheiden van de individualistische massa en ons opstelden als aanspreekbaar en tot een glimlach bereid.

Deze pogingen lenen zich nogal gemakkelijk tot cynisch commentaar. Terwijl de bedoelingen waarschijnlijk goed zijn en ik in het verleden zelf wel eens een oproepje tot meer verbondenheid heb gelanceerd, geeft die dwangmatige saamhorigheid mij een immense behoefte met rust gelaten te worden. Voornamelijk omdat ze op een heimelijke manier lijkt aan te sluiten bij de luidkeelse frustraties van de hondenpoepgefixeerden en de agressieve oproepen tot meer burgerzin die naast verkiezingsposters van het Vlaams Belang op voorruiten prijken: „Verdacht individu op straat? Gebruik je gsm! Samen voor meer veiligheid!”

Steeds vaker, zonder enige gêne en buiten officiële instanties om, wijst men elkaar op wat kan en wat niet. Bovendien lijken mensen vooral gehoor te geven aan de oproep tot saamhorigheid wanneer deze de belofte inhoudt samen tegen iets te kunnen zijn. Samen iedereen eens duidelijk zeggen wat belangrijk is, samen altijd het slachtoffer zijn, zich samen vervelen, samen God zijn, samen de wet vervangen, samen wie niet horen wil laten voelen, samen boze slogans bedenken, samen allochtonen haten, zich samen verstoppen achter de balkonmuur.