Raad van State uit kritiek op wet Verdonk

Allochtonen met een uitkering die beschikken over een Nederlands paspoort, kunnen niet verplicht worden tot het volgen van een inburgeringscursus. Ook Nederlandse allochtonen die beroepsmatig omgaan met minderjarigen kunnen daar niet toe worden verplicht. Dat geldt ook voor medewerkers in de geestelijke zorg, zoals imams.

Dat stelt de Raad van State in een advies over de inburgeringswet dat vanmorgen in de ministerraad werd besproken. Wel kunnen ‘vreemdelingen’ afkomstig uit landen buiten de Europese Unie tot inburgering worden verplicht. Het kabinet bereidt aanvullende maatregelen voor om de inburgeringsachterstand te verminderen van genaturaliseerde Nederlanders. Dat stelde verantwoordelijk minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD) vanmiddag na de ministerraad.

Het is niet de eerste keer dat Verdonk kritiek krijgt op de inburgeringswet die zij wil doorvoeren. Aanvankelijk wilde de minister niet alleen nieuwkomers, maar ook genaturaliseerde Nederlanders die al langer in Nederland wonen maar nog onvoldoende Nederlands spreken, verplichten om in te burgeren. De Tweede Kamer voorzag echter juridische problemen als minister Verdonk vast zou houden aan dat onderscheid tussen genaturaliseerde Nederlanders en Nederlanders van geboorte. Na aandringen van de Tweede Kamer voerde Verdonk een aantal wijzigingen door. Van de genaturaliseerde Nederlanders zouden, ondanks de juridische ongelijkheid, alleen mensen met een uitkering, geestelijk leiders en opvoeders van kinderen moeten inburgeren.

GroenLinks meldde vanmorgen al dat de partij opheldering wil van Verdonk over het advies. GroenLinks stelt dat de minister het advies van de raad onmiddellijk moet overnemen en roept haar daarvoor dinsdag naar de Tweede Kamer. De fractie is niet verrast door het standpunt van de Raad van State, omdat de Grondwet discriminatie op basis van afkomst verbiedt. GroenLinks vindt het „zorgelijk dat er zo veel juridische en politieke druk nodig is om een door de Kroon beëdigde minister binnen de grenzen van de Grondwet te laten handelen”.