Nederlandse musea eren lokale helden

Likkebaardend zal de Nederlandse kunstliefhebber dit najaar naar de agenda’s van musea in de ons omringende landen kijken. Er zullen stedentrips moeten worden geboekt, naar Londen, Parijs of Madrid. Vanaf 9 september is Düsseldorf the place to be, met solotentoonstellingen van Bruce Nauman, Caravaggio en Francis Bacon. Maar ook tentoonstellingen van Yves Klein in het Centre Pompidou in Parijs (vanaf 20 september), Velazquez in de National Gallery in Londen (vanaf 18 oktober) en Fischli & Weiss in Tate Modern in Londen (vanaf 18 oktober) maken afgunstig. In Nederland zitten we de komende vier maanden vooral opgescheept met de resten van het Rembrandtjaar.

Er wordt vaak gezegd dat de Nederlandse museumwereld de aansluiting mist met het internationale circuit, en wie langs de websites van de grootste Nederlandse musea surft, ziet die indruk bevestigd. Het komende half jaar worden hier vooral vaderlandse helden geëerd: Co Westerik in het Haags Gemeentemuseum (vanaf 23 september), Herman Brood in het Groninger Museum (vanaf 5 november), Paul Klemann in het Teylers Museum (vanaf 9 september), Jan Andriesse in De Pont en John Rädecker in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Ongetwijfeld zullen er mooie exposities tussen zitten, maar zal er ook een internationaal publiek op af komen?

Ambitieuzer zijn de drie grootste musea voor moderne kunst, het Stedelijk Museum in Amsterdam, Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en het Van Abbemuseum in Eindhoven. Het is vast niet toevallig dat al deze musea kort geleden een nieuwe directeur hebben gekregen, die allemaal van plan zijn van hun museum het mooiste ter wereld maken.

Het Stedelijk brengt vanaf 20 oktober een tentoonstelling van Tino Sehgal, de kunstenaar die op de laatste Biënnale van Venetië het publiek in het Duitse paviljoen hypnotiseerde met zingende en dansende suppoosten. In 2005 verwierf het Stedelijk Museum zijn kunstwerk Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things uit 2000, een live kunstwerk waarbij een traag bewegende menselijke figuur steeds andere houdingen aanneemt op de vloer. Sehgal zal deze performance opnieuw laten opvoeren, en daarnaast een keuze maken uit de collectie van het Stedelijk. In februari 2007 volgt dan de echte klapper van het Stedelijk: een retrospectief van een van de grootste kunstenaars uit de twintigste eeuw, Andy Warhol. Het Van Abbemuseum krijgt op 7 oktober een solotentoonstelling van Lee Lozano, een Amerikaanse kunstenaar die pas na haar dood bekend werd omdat ze zich lange tijd bewust afzijdig heeft gehouden van de kunstwereld. Haar werk, conceptueel en vooral zeer feministisch, is een ontdekking en nog niet eerder in Nederland te zien geweest. Maar ook de andere tentoonstellingen in het Van Abbe, van de affiches van Lawrence Weiner (vanaf 15 september) en van Allan Kaprow, de onlangs overleden aartsvader van de happening (vanaf 1 februari 2007), ogen veelbelovend. Het museum laat er ook mee zien dat het er niet voor terugdeinst om inhoudelijke, moeilijke kunst te tonen. Een breed publiek zal er hoe dan ook niet mee getrokken worden.

Boijmans opent volgende week gelijktijdig drie solotentoonstellingen van heel verschillende, maar stuk voor stuk markante kunstenaars. Het grootse overzicht van Magritte (vanaf 3 september) zal ongetwijfeld een blockbuster worden. Maar minstens zo bijzonder zijn de presentaties van Daan van Golden – die zijn verzameling krantenfoto’s toont – en Bas Jan Ader (vanaf 26 augustus). Met name het werk van de laatste kunstenaar zal een bedevaart op gang brengen van jonge kunstenaars die in hem een groot voorbeeld zien. Een lokale held weliswaar, maar een met wereldse allure.