Melancholie met een zonnig randje

De Rotterdamse singer-songwriter Charlie Dée zoekt in haar liedjes over pijnlijke emoties naar het luchtige element. „Ik ben heel erg optimistisch.”

‘Gisteren stonden de mensen zó”, zegt Charlie Dée een beetje beduusd tegen het bedeesde publiek in de halfvolle Nieuwe Kerk in Den Haag, terwijl ze met haar handen in de lucht klapt. Het is één dag nadat ze met haar band op Lowlands stond „met vijfduizend mensen die hun armen omhoog hielden. We speelden om twaalf uur ’s middags, maar het was echt druk. Het was een mijlpaal waar ik al zo lang naartoe heb geleefd. Toen ik mijn moeder zag staan, schoot ik vol.”

Nu, een dag later, staat de 28-jarige singer-songwriter uit Rotterdam (echte naam: Renée Vermijs) om drie uur op een zondagmiddag op het Haagse Pure Jazzfest, voor een publiek dat op stoelen en in kerkbanken zit, muisstil luistert naar de muziek en zich pas waagt aan een beleefd, kabbelend applausje als de allerlaatste toon is weggestorven. Bassist en producer Chris Grem vindt de omslag van vrolijk festivalgeruis naar gewijde stilte ook ongemakkelijk. „Mensen…het is dan wel zondag, maar dit is geen heilige bijeenkomst.”

Charlie Dée had zich vooraf al afgevraagd waarom haar band eigenlijk op een jazzfestival stond. Ze schrijft en zingt tenslotte popliedjes; mooie, compacte liedjes die tegelijk melancholisch en lichtvoetig zijn, die meer naar rock neigen dan naar jazz. „Ze zullen toch wel naar mijn album geluisterd hebben?” Voordat het concert begon, had ze aan de organisatie gevraagd of de gordijnen in de kerk dicht konden. „Ik vind het niet echt rock‘n’roll om in het daglicht te spelen. Dan kom ik niet in mijn sterelement.”

Ze heeft wel eens opgetreden in de foyer van een filmzaal, op een geïmproviseerd podiumpje, voor mensen die ondertussen een kopje thee dronken. En dan lukt het gewoon niet. Natuurlijk: ook voor het kleinste publiek doet ze haar best en ze heeft sinds haar dartelende debuutalbum Where Do Girls Come From? begin dit jaar uitkwam, met haar vaste band al veel routine opgebouwd. „Maar een écht groot concert, zoals op Lowlands, gaat toch altijd beter dan een optreden in een klein kroegje. Ik denk dat het komt door de extra spanning. Toen ik vroeger op balletles zat, ging het altijd mis wanneer ik danspasjes moest maken die te makkelijk waren. Terwijl het juist bij de ingewikkelde pasjes perfect ging.”

Aan het optreden

in de Nieuwe Kerk is nauwelijks af te zien dat Charlie Dée duizend doden sterft. Haar intieme liedjes winnen live aan kleur en zeggingskracht en ze zingt haar teksten die bol staan van verwondering met een krachtige knauw. Maar achteraf vertelt ze tijdens het avondeten („Chinees? Ik háát Chinees…alles zit tegen vandaag”), dat ze na afloop haar hoge hakken woedend door de kleedkamer heeft gesmeten. „Ik was een beetje boos. Achteraf kwamen mensen naar me toe om te vertellen dat ze het mooi vonden, maar op dat moment voelde het heel slecht. Ik vind het moeilijk als mensen zitten, dan zak ik in elkaar…”

Het kwam ook door de vermoeidheid, vertelt ze. De omslag van gillende en fluitende mensen naar een streng kijkend publiek. En het past volgens haar niet goed bij haar muziek, zo’n zaal vol zittende, afwachtende mensen. „Mijn muziek heeft duidelijk die melancholie, maar als je staat, pak je ook de hoge kant van de muziek mee – de humor en de flirterigheid. En het zijn rockachtige liedjes; dan werkt het niet wanneer je voorzichtig aan moet doen omdat je bang bent dat je anders je publiek wegblaast. Ik kan er soms heel erg van uitgaan dat mensen het stom vinden wat ik doe. Een jaar geleden was ik weggegaan na vier liedjes. Maar dat is natuurlijk het stomste wat je kunt doen.”

Charlie Dée heeft ook niet zoveel reden meer om er vanuit te gaan dat mensen het stom vinden wat ze doet. In 2004 won ze de Grote Prijs van Nederland in de categorie singer/songwriter en ze ontving eerder dit jaar een Essent Award, die haar onder meer het lang begeerde podiumplekje op Lowlands opleverde. Haar album en haar optredens werden positief ontvangen, ze heeft een band gevormd met trouwe, ervaren muzikanten met wie ze vrolijk nieuwtjes over voetbal en rockbands uitwisselt en haar tweede album is bijna af. De buitenwereld lacht haar toe. „Ik voel steeds meer dat het goed gaat. Als ik op een podium sta en denk ‘wat doe ik stom’ en dan later in de krant lees dat ik zo vrolijk en verfrissend was, ga ik daar wel beter van in mijn schoenen staan.”

Haar levenshouding is zoals haar muziek. Melancholiek, maar altijd met een zonnig randje. „Toen journalisten op Lowlands tegen me zeiden dat het wel vervelend was dat het zo hard regende, zei ik dat het juist te gek was omdat iedereen nu vast naar de tent zou komen. Ik ben heel erg optimistisch.” En dus zoekt ze ook bij liedjes over pijnlijke emoties naar het luchtige element, al is het maar in de klank. „Als iets me pijn doet of verdrietig maakt, dan heb ik voor mezelf al uitgezocht wat de andere kant van het verhaal is. Het leven wil je met alles iets vertellen. Daarom zit in mijn liedjes altijd iets dat de keerzijde aangeeft, dat kan in de bridge zijn of in een refrein.”

Zolang ze zich

kan herinneren, wil Charlie Dée haar verhaal kwijt op een podium. Als kind was ze vooral gek op dansen en maakte ze haar eigen choreografieën waarmee ze optrad. En als eerstejaars op het conservatorium vertelde een zangdocent haar na een opdracht waarbij alle leerlingen een liedje moesten schrijven dat ze een nieuw talent had ontdekt. Toen ze haar eerste demo liet horen aan gitarist Martijn van Agt, zei die tegen haar: ‘Je hebt iets te vertellen.’ „En dat was echt een domme demo! Hij en (bassist en producer) Chris leerden me om mijn verhaaltjes te structureren en er popliedjes van te maken. In het begin hoorde ik alleen het liedje in mij wanneer ik schreef; ik zag me er niet mee met een band optreden. Nu hóór ik de band wanneer ik aan het schrijven ben.”

Nu het met haar muzikale carrière gestaag vooruit gaat, ziet ze ook daar de keerzijde van. Ze vindt dat men in Nederland te weinig trots is op popmuzikanten van eigen bodem. „Ik won de Grote Prijs en er gingen meteen vier deuren dicht. Als ik trots vertel dat ik op Lowlands sta, zeggen mensen: ‘Ja maar je hebt een Essent Award gewonnen, dat telt niet.’ De Zuid-Hollandse Popunie krijgt zeven ton subsidie per jaar, maar ik zie daar als artiest uit Zuid-Holland geen tientje van. Er is te weinig steun voor beginnende bandjes en voor zalen om die bandjes te kunnen boeken, zodat er geen bedding is waarin een bandje kan groeien om écht goed te worden.”

Maar is haar eigen succes dan geen bewijs dat goede muziek ook zonder subsidie wel boven komt drijven? Charlie Dée: „Het is dubbel. Het is waar dat ook in moeilijke tijden echt talent wel boven komt drijven, dat is bij mij ook gebeurd. Maar het is niet eenvoudig om het als beginnende artiest in Nederland vol te houden; ik krijg voor optredens bijvoorbeeld veel te weinig geld om mijn bandleden normaal te kunnen uitbetalen. Ik zou wel op de bres willen springen om te lobbyen voor een beter klimaat voor de Nederlandse popmuziek. Alleen ben ik nu heel erg met mijn eigen carrière bezig; dat is voorlopig even zwaar genoeg.”

Charlie Dée speelt op zondag 27 augustus op De Uitmarkt in Amsterdam. Dit najaar is ze te zien tijdens een dubbeltournee met het Utrechtse popduo Solo, dat begint op 6 september in Paradiso, Amsterdam, en eindigt op 29 oktober in Tivoli, Utrecht. Meer concertdata en informatie: www.charliedee.com.