‘Ik vul de gaten in de historie’

Om zes uur ’s morgens begint Tomas Ross al aan zijn detective, scenario of verhaal. Hij schrijft als een razende en vult historische feiten graag aan met fictie. Van vrouwelijke collega’s heeft hij geen hoge dunk. ,,Hun thrillers zijn Talpadrama’s.’’

Twee boeken per jaar, eentje in mei en één in oktober. „Je moet het erin blijven rammen.” Tomas Ross is de productiefste thrillerauteur in Nederland. De afgelopen 25 jaar schreef hij zes non-fictieboeken, negen kinderboeken, scenario’s voor tv-series, tv-films en speelfilms, en tientallen korte verhalen. Bekend is hij vooral van zijn gestage stroom aan spannende romans voor volwassenen, inmiddels 36 in getal.

Ross – geboren in 1944 als Willem Hogendoorn – is samen met enkele geestverwanten sinds eind jaren zeventig verantwoordelijk voor de renaissance van het spannende boek in Nederland. Op advies van de Zweedse topauteur Maj Sjöwall stelde hij bovendien De Gouden Strop in, de prijs waarmee jaarlijks het beste Nederlandstalige misdaadboek wordt bekroond. Hij won zijn eigen Strop inmiddels drie keer.

Ross is een van de weinige Nederlandse auteurs die zogeheten factie schrijven. In zijn boeken gaat hij uit van actuele of historische feiten, die hij aanvult en verklaart met behulp van fictie-elementen. Zo reconstrueerde hij in De Zesde Mei de moord op Pim Fortuyn. Een van de drijvende krachten achter die liquidatie was volgens zijn lezing – een idee van Theo van Gogh – de BVD. Andere zaken die hij in recente jaren aangreep om complotten omheen te beramen waren de moord op Mathilde Willink en een aanslag op Ayaan Hirsi Ali.

De Tweede Wereldoorlog en met name de rol van Prins Bernhard nemen een bijzondere plek in zijn oeuvre in. Onlangs verscheen King Kong, het afsluitende deel van de trilogie ‘Voor Koningin & Vaderland’ waarin hij een deel van de geschiedenis van WOII herschreef. In deel I – De Dubbelganger – reconstrueert hij de vlucht van Rudolf Hess naar Engeland en suggereert hij dat Churchill Hess liet liquideren om geen vrede te hoeven sluiten. In deel II – De Anjercode – ‘onthult’ hij dat achter het beruchte Englandspiel een Amerikaans-Duits complot schuilging. En in King Kong luidt Ross’ verklaring voor het verraad van operatie Market Garden wederom: Amerikaans imperialisme. Van de glorieuze rol van Prins Bernhard, de toenmalige opperbevelhebber van de Nationale Strijdkrachten, blijft weinig meer over dan goede bedoelingen.

Waarom toch altijd prins Bernhard? Wat heeft u tegen die man?

„Hij was mateloos ambitieus. En de enige schelm die wij hebben gehad, een man die zich niets aantrok van protocol of de Gouden Kooi of weet ik wat. Ik ken niemand in koningshuizen en zeker geen prins-gemaal die zich zo heeft bemoeid met staatszaken, defensiemateriaal, aanschaf van vliegtuigen, internationale handel, Bilderberg enzovoorts. Bernhard is dus een mooie dramatische figuur als kapstok om de geschiedenis aan op te hangen.

„Bovendien is de Tweede Wereldoorlog weliswaar uit en te na beschreven, maar de rol van Bernhard is nooit goed belicht. De mysteries zijn altijd gebleven. Aan welke kant stond hij nou eigenlijk? En dan zal de psycholoog wel zeggen dat ik in ‘44 ben geboren en dat mijn vader bij het Bureau Nationale Veiligheid werkte (de voorloper van de BVD) en nog geridderd is door de Bernhard.”

De geschiedenis aan ophangen. Dat klinkt alsof u er vanuit gaat dat u een serieuze bijdrage levert aan de geschiedschrijving.

„Het klinkt pretentieus voor een thrillerschrijvertje, maar natuurlijk is dat mijn doel. En het is ook gerechtvaardigd omdat ik zoveel terughoor. Heel veel oudgedienden reageren nu weer op King Kong omdat ik met het invoeren van een derde partij een vreemde, complotteuze verklaring geef voor zowel het Englandspiel als het verraad van Arnhem. Geen een is er woedend geworden. Geen een heeft gezegd: je bezoedelt de Amerikanen, of zo. Ze zeggen: dit is een stuk van de puzzel waaraan we nog nooit gedacht hebben. Het is zo logisch. Uiterst bitter en uiterst cynisch als het zo gegaan is, maar het vult alle gaten op.”

Dat roept de vraag op hoe dicht u op de feiten zit. In hoeverre houdt u zich aan de historische werkelijkheid?

„Het is allemaal feitelijk wat ik schrijf over Montgomery en Churchill en Bernhard en Gestapo-chef Schreieder en dergelijke. Wat ik altijd zo vreemd vind, is dat mensen zeggen: ‘Ja, maar hij mengt fictie met feiten en daaruit brouwt hij dan een of andere speculatieve oplossing voor een raadsel.’ Ik vind juist dat ik dat niet doe. Ik wissel fictie- en factiehoofdstukken af. Je hebt een hoofdstuk Daan Kist en dat is allemaal gelogen zou je kunnen zeggen. In het volgende hoofdstuk gaat het dan om een echt bestaande figuur. Ja, ik moet hem laten spreken en misschien heeft hij nooit op die specifieke landweg gereden, maar de mensen die hij heeft ontmoet en de auto waarin hij reed en de overwegingen die hij maakte, dat is allemaal aantoonbaar. Ik laat Bernhard toch geen dingen doen die hij nooit heeft gedaan?”

Nee, maar neem die noodlanding waarmee King Kong begint. Is dat een feit?

„Nee, maar dat Bernhard tijdens een goodwilltrip naar Zuid-Amerika doorvloog naar het Argentijnse Tucumán en zodoende de zaak besodemieterde, terwijl hij de rest van zijn elf manschappen in Brazilië achterliet onder het motto ‘we hebben nieuwe onderdelen voor het vliegtuig nodig’, dat hij in Tucumán de oudoom van Máxima, Juan Zorreguieta, heeft ontmoet, dat hij daar ook naartoe ging voor zijn vriendinnetje Ursula von Pannwitz, dat hij ook met hoge Duitsers heeft gepraat die al in Argentinië waren – dat staat wel allemaal vast. Mag je het dan als romancier, als dat allemaal voor je vaststaat, spannender maken? Hella Haasse zei ooit tegen mij: ‘Dan zou je ook geen historische romans kunnen schrijven, want ik weet niet of de Hertog van Bourgondië zo sprak met zijn vrouw of op dat moment in de koets stapte.’ ”

Goed, dan is er die curieuze bijeenkomst bij Juan Zorreguieta, maar dan laat u ook nog even de vader van Máxima acte de présence geven. En dan denk ik: die heeft hij eraan vastgeplakt.

„Ja dat klopt, dat vond ik geestig, maar dat is geen laster of smaad. Ik doe de werkelijkheid geen geweld aan. Als zoiets verleidelijk is en het kan, dan doe ik dat. Ik herinner me nog dat ik daar een zin bij schreef dat Máxima's vader Jorge het zo ontzettend leuk zou vinden als hij later ook nog… maar dat heb ik weggelaten, dat vond ik te dik.”

Mag ik nu constateren dat die foto achterop King Kong waar Prins Bernhard uw vader P.G. Hogendoorn riddert...

„…een pesterijtje is naar Beatrix? Ja, absoluut ja.”

Waarom gaat u dit soort strijd eigenlijk aan. Waarom schrijft u geen fictie?

„Ik vind het verzinnen van een fictieplotje leuk, maar bij lange na niet zo bevredigend als het vullen van gaten in de geschiedenis. Ik doe het wel voor de televisie, maar het is toch een kruiswoordpuzzeltje maken en hem zelf invullen. Niks ten nadele van Appie Baantjer, maar is het echt leuk om elke keer over De Cock en Vledder te schrijven? Is dat bevredigend? Ja, als je je bankrekening ziet wel, maar verder?

„Ik vind de ontwikkeling die je nu ziet met de dames in de thrillerwereld ook eigenlijk een teruggang. De thriller werd steeds slimmer, ingenieuzer en mooier, totdat schrijvers als Saskia Noort gingen buigen voor het grote publiek. Laat die lezers toch eens op hun tenen lopen! Wat zij schrijven is Talpadrama.

„Het is mij trouwens een raadsel dat ik geen concurrentie heb gekregen in de factie, want het levert een veel grotere off-spin op dan een detectiefje. Ik weet dat anderen afgunstig zijn dat ik regelmatig bij Barend en Van Dorp kwam en in de kranten niet alleen word gerecenseerd, maar ook figureer op de nieuwspagina’s. Dat komt doordat ik iets aanraak uit de werkelijkheid. Iets dat intrigeert, choqueert of provoceert.”

Maar factie vergt research en feitenkennis. En biedt dus veel gelegenheid tot fouten maken.

„Je kunt je goed documenteren. Je kunt naar het Nationaal Archief gaan en het NIOD. Er is veel hoor! Dat doe ik ook allemaal. En je kunt ook veel mensen bellen. Maar het vervelende is inderdaad altijd wat daarna komt. Zodra je boek uit is bellen ze je om op je op fouten te wijzen. Toen Omwille van de Troon uit was waarin die Stadhoudersbrief voor het eerst aan bod komt, belde Frits Barend mij op en zei: ‘Luister eens ik weet iemand die die brief heeft.’ Dat was niet waar, maar toch bleek de zaak iets anders in elkaar te zitten dan ik had beschreven. Toen had ik dat boek dus opnieuw kunnen schrijven op basis van de nieuwe info.”

En toen reageerde ook Prins Bernhard zelf met een brief op poten in de Volkskrant.

„Ja, ik had onthuld dat hij zichzelf in april 1942 bij Hitler had opgeworpen als stadhouder/landvoogd. Zijn repliek loog er niet om, al deugde de argumentatie niet. Hij stelde dat ik hem ervan betichtte dat hij Arnhem had verraden – maar dat is niet zo. Ik vind sowieso dat Bernhard er in mijn boeken heel goed vanaf komt.

„Mijn uitgever Robert Ammerlaan is nota bene de zeer goed gedocumenteerde, maar ook zeer zwijgzame, beoogde biograaf van Bernhard. Hij had me toen net gevraagd het grote boek over landverrader Christiaan Lindemans alias King Kong, dat ik altijd al wilde schrijven, met spoed te maken voor de 60ste en vermoedelijk laatste grote herdenking van de Slag bij Arnhem. Hij wist dat mijn vader King Kong tot kort voor diens mysterieuze dood – moord natuurlijk – had verhoord.

„Ik kon die brief van Bernhard uiteraard ook niet op me laten zitten en zo begon ik aan King Kong. Het was nooit de bedoeling om een trilogie te schrijven. Maar tijdens mijn voorbereiding las ik in Loe de Jong iets dat in Den Haag gebeurde op de dag voordat de Duitsers Nederland binnenvielen, op 9 mei 1940 dus. Toen dacht ik: prachtig, als ik dat tot proloog maak en ik kan in een keer van ’40 naar ’44 gaan, dan heb ik én een hele mooie proloog én een hook naar King Kong, maar die proloog werd vijftig pagina’s en toen besefte ik dat het geheel niet in één roman paste.”

Die ruim duizend pagina’s ‘Voor Koningin & Vaderland’ schreef u binnen twee jaar en tussendoor verschenen er nog twee andere boeken. Dat is heel veel.

„U vergeet de scenario’s en de korte verhalen. Ja, ik schrijf heel snel en nooit meer dan één versie. Het klinkt een beetje blasé, maar iemand anders werkt toch ook acht uur per dag? Nou, als je een goed idee hebt en je hebt de hoofdstukken uitgeschreven en de plot klopt dan kun je toch wel vijf tot zes bladzijden per dag tikken. Dat is 25 à 30 pagina’s per week, dus dan schrijf je in twee maanden een boek. Simenon schreef een Maigret soms in negen dagen.

Hoe zien uw werkdagen er dan uit?

„Sinds de geboorte van de jongste begin ik om zes uur en werk dan tot een uur of tien, elf. Dat lees ik dan ’s avonds voor aan mijn vrouw – als die de puf heeft om het aan te horen, want die houdt niet van het genre. En als ze in slaap valt, weet ik dat het kut met peren is. ’s Middags zit ik op mijn kantoor in de Amsterdamse binnenstad en dan werk ik aan een scenario of ik denk na over een volgend boek of doe alvast research. Tijdens het schrijven bel en mail ik heel veel over details.

„Toch maak ik wel fouten en ik geef toe: Charles den Tex schrijft veel mooier dan ik. Maar het interesseert mij niet. Ik ben wat dat betreft toch een oud-journalist: doorrammen. Mijn grootste makke is dat ik zoveel details kwijt moet, zoveel wil uitleggen. Ik wil toch eigenlijk de Frederick Forsyth van de lage landen zijn, maar om in een goedlopend verhaal veel uit te leggen, moet je heel goed kunnen schrijven. Ik las ooit mijn eerste roman terug: zestig pagina’s uitleg! Ik dacht: Jezus, zestig pagina’s, dat is een Teleac-cursus. Bij mijn vorige uitgeverij had ik een redacteur, die zette dan een streep door zo’n hele pagina met de vraag erbij: mag dit weg? En die schreef er dan spottend naast: ‘Wat weet jij toch veel, Willem.’ En dan dacht ik: O god, het is waar, ik zit hier te doceren. ”

Tomas Ross: King Kong. Bezige Bij, 464 blz. €18,50.